Het Duitse en het Nederlandse Toezicht op de mijnen zijn verplicht, de ontginning langs de nieuwe ontginningsgrens slechts toe te staan onder voorwaarde, dat de ontginningswerken over een breedte van 500 meter gelegen aan gene zijde van de nieuwe ontginningsgrens op hun eigen mijnkaarten worden overgebracht. Te dien einde zullen de wederzijdse Toezichten op de mijnen de desbetreffende mijnkaarten, die door beëdigde, resp. erkende mijnmeters vervaardigd en regelmatig bijgehouden zullen worden, elk halfjaar uitwisselen, zolang in het gebied ontginning plaats vindt. Daarenboven zal het Nederlandse Toezicht op de mijnen aan het Duitse Toezicht op de mijnen een exemplaar der op dezelfde wijze vervaardigde en bijgehouden mijnkaarten betreffende alle ontginningswerken onder Duits grondgebied ter beschikking stellen. Omtrent de inzage dezer mijnkaarten door derden beslissen de autoriteiten en de rechtbanken van het land, waaraan de mijnkaarten ter beschikking zijn gesteld, overeenkomstig haar eigen bepalingen.
Is van toepassing op alle ondergrondse werken die de
ontginningsgrens van Duitse zijde overschrijden.
Artikel IV
Artikel IV
Onderdeel van Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland houdende vaststelling van een ontginningsgrens voor oostelijk van de Nederlands-Duitse landsgrens gelegen steenkolenvelden· Agrarisch recht
Deze tekst geldt sinds 25 november 1961