**1.** De staten die partij zijn bij dit Verdrag zijn het erover eens dat:
Het onderwijs gericht dient te zijn op de volledige ontwikkeling van de menselijke persoonlijkheid en op de verhoging van de eerbied voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden; het onderwijs dient het begrip, de verdraagzaamheid en vriendschap tussen alle volkeren en alle rassen- of godsdienstige groepen te bevorderen, en dient de werkzaamheden van de Verenigde Naties voor het handhaven van de vrede te ondersteunen;
Het noodzakelijk is de volgende vrijheden van de ouders en, in voorkomende gevallen, van wettelijke voogden te eerbiedigen: in de eerste plaats dat zij voor hun kinderen andere instellingen kunnen kiezen dan die welke door de overheid worden in stand gehouden doch die voldoen aan door de bevoegde autoriteiten vast te stellen of goed te keuren minimum-onderwijs normen en, in de tweede plaats, dat zij op een wijze die verenigbaar is met de in die staat voor de toepassing van zijn wetgeving gevolgde procedures, kunnen zorgen voor de godsdienstige en morele opvoeding van hun kinderen in overeenstemming met hun eigen overtuiging; geen enkele persoon of groep mag gedwongen worden godsdienstonderwijs te ontvangen dat onverenigbaar is met zijn of haar overtuiging;
Het noodzakelijk is het recht te erkennen van leden van nationale minderheden om voor hun eigen onderwijs te zorgen, waaronder begrepen het in stand houden van scholen en, indien het onderwijsbeleid van de desbetreffende staat zulks toestaat, het gebruik van of het onderwijs in hun eigen taal, met dien verstande echter:
dat recht niet op zodanige wijze wordt uitgeoefend dat de leden van die minderheden niet in staat zijn de cultuur en de taal van de samenleving in haar geheel te begrijpen en deel te nemen aan haar activiteiten, of op een wijze die afbreuk doet aan de nationale soevereiniteit;
dat het gehalte van het onderwijs niet lager is dan de algemene door de bevoegde autoriteiten vastgestelde of goedgekeurde normen en
dat het bezoeken van die scholen facultatief is.
**2.** De staten die partij zijn bij dit Verdrag nemen de verplichting op zich alle maatregelen te nemen die nodig zijn ter verzekering van de toepassing van de in lid 1 van dit artikel genoemde beginselen.
Artikel 5
Artikel 5
Onderdeel van Verdrag nopens de bestrijding van discriminatie in het onderwijs· Onderwijsrecht
Deze tekst geldt sinds 25 juni 1966