Iedere Verdragsluitende Partij machtigt onderdanen van de andere Partijen tot het op haar grondgebied uitoefenen van op winst gerichte activiteit op voet van gelijkheid met haar eigen onderdanen, tenzij genoemde Verdragsluitende Partij ernstige economische of sociale redenen heeft om deze machtiging niet te verlenen. Deze bepaling is van toepassing op, doch niet beperkt tot, industriële, commerciële, financiële en agrarische activiteiten, ambachten en de vrije beroepen, ongeacht het feit of de betrokken persoon voor eigen rekening werkt of in dienst is van een werkgever.
HOOFDSTUK IV
Artikel 10
Artikel 10
Onderdeel van Europees Vestigingsverdrag· Internationaal publiekrecht
Deze tekst geldt sinds 21 mei 1969