Naar hoofdinhoud
1. Het bewijs van de nationaliteit of het staatsburgerschap overeenkomstig artikel 2 kan worden geleverd door middel van de navolgende documenten: een geldig paspoort of paspoortvervangend reisdocument met foto (laissez-passer); een geldig identiteitsbewijs; een geldig militair identiteitsbewijs of een ander identiteitsbewijs van het personeel van de strijdkrachten met een foto van de houder; een geldig zeemansboekje; een UNMIK reisdocument of identiteitsbewijs; een geldige consulaire kaart; andere officiële documenten waaruit de nationaliteit of het staatsburgerschap van betrokkene blijkt, afgegeven door de aangezochte Partij en voorzien van een foto; een document, zoals hiervoor beschreven, waarvan de geldigheidsduur is verstreken op de datum waarop het verzoek om terug- of overname wordt verzonden; informatie uit het Visuminformatiesysteem (VIS)1) Verordening (EG) Nr. 767/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 betreffende het Visuminformatiesysteem (VIS) en de uitwisseling tussen de lidstaten van gegevens op het gebied van visa voor kort verblijf (VIS-verordening), PB L 218, 13.8.2008, blz. 60., op voorwaarde dat de Commissie overeenkomstig artikel 25, lid 6, van Richtlijn 95/46/EG een besluit heeft genomen over de passende bescherming van persoonsgegevens in dat derde land. Wanneer dergelijke documenten worden voorgelegd, erkennen de Partijen de nationaliteit of het staatsburgerschap zonder verdere formaliteiten. 2. Het begin van bewijs van de nationaliteit of het staatsburgerschap overeenkomstig artikel 2 kan worden geleverd door middel van de navolgende documenten of elementen: een kopie van één van de in lid (1) genoemde documenten; een officieel identiteitsbewijs, afgegeven door de Voormalige Joegoslavische Republiek; andere documenten die kunnen bijdragen tot het vaststellen van de nationaliteit of het staatsburgerschap van de betrokkene (rijbewijs, e.a.); een document waaruit een consulaire inschrijving blijkt, een nationaliteits- of staatsburgerschapsbewijs, een bewijs van de burgerlijke stand of geboortebewijs afgegeven door de UNMIK; een bedrijfspas; afschriften/kopieën van de onder 2. tot en met 4. genoemde documenten; de taal waarin de persoon zich uitdrukt, een betrouwbare getuigenverklaring; de verklaring van de betrokkene zelf. Wanneer dergelijke documenten of elementen worden voorgelegd, nemen de Partijen de nationaliteit of het staatsburgerschap als vaststaand aan, tenzij de aangezochte Partij het tegendeel kan bewijzen. 3. Indien geen van de in lid (1) of (2) genoemde documenten of elementen kan worden voorgelegd, kan de verzoekende Partij de aangezochte Partij verzoeken in het bevolkingsregister van de aangezochte Partij te onderzoeken. Een positief resultaat van het onderzoek geldt als bewijs als bedoeld in lid (1). 4. Indien geen van de in lid (1), (2) en (3) genoemde documenten, elementen of gegevens kan worden voorgelegd, doch er naar de mening van de verzoekende Partij een vermoeden bestaat met betrekking tot de nationaliteit of het staatsburgerschap van de terug te nemen persoon, dan treffen de bevoegde autoriteiten van de aangezochte Partij de vereiste maatregelen om de nationaliteit of het staatsburgerschap van de betrokkene vast te stellen. Hiertoe zal de bij de verzoekende Partij geaccrediteerde diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van de aangezochte Partij tot het horen van de betrokkene overgaan teneinde vast te stellen of het een eigen onderdaan of staatsburger betreft. 5. Indien om feitelijke of technische redenen de bij de verzoekende Partij geaccrediteerde diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van de aangezochte Partij niet in staat is om de betrokkene te horen, zal deze taak in uitzonderlijke omstandigheden worden uitgevoerd door ofwel een in onderlinge overeenstemming aangewezen deskundige ofwel een uitgenodigde delegatie van de aangezochte Partij die bij de verzoekende Partij is geaccrediteerd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel