Naar hoofdinhoud

Artikel 1

Artikel 1

Onderdeel van Verdrag inzake de regeling van aangelegenheden voortspruitende uit de oorlog en de bezetting· Staats- en bestuursrecht

Deze tekst geldt sinds 6 september 1955

1. Bij de inwerkingtreding van dit Verdrag zal de Bondsrepubliek een administratief bureau instellen, uitrusten en van personeel voorzien, welk bureau uit hoofde van de bepalingen van dit Hoofdstuk en de daarbij behorende Bijlage juwelen, zilverwerk en antieke meubelen (indien elk afzonderlijk voorwerp een grote waarde vertegenwoordigt) en culturele goederen opspoort, terugvordert en restitueert indien dergelijke voorwerpen en culturele goederen tijdens de bezetting van enig gebied daaruit werden weggevoerd door de strijdkrachten of autoriteiten van Duitsland of zijn bondgenoten of de individuele leden daarvan (al dan niet op bevel), nadat zij door middel van dwang werden verkregen (met of zonder geweld), door diefstal, door vordering of door andere vormen van gedwongen onteigening. 2. In het geval van culturele goederen welke in het betrokken land vóór de datum welke van toepassing is op dat land zoals in artikel 5 van dit Hoofdstuk is gespecificeerd aanwezig waren, vindt restitutie ook plaats indien zij werden verkregen als een onder directe of indirecte dwang gedane gift of om redenen van de officiële positie van de ontvanger; indien zij werden verkregen door middel van aankoop, tenzij de goederen het land waren binnengebracht met het doel ze te verkopen. 3. Waar het betreft juwelen, zilverwerk of antieke meubelen, kan restitutie geweigerd worden indien is komen vast te staan dat de betrokken goederen werden weggevoerd nadat zij van de oorspronkelijke eigenaar verkregen waren als tegenwaarde in het kader van een gewone handelstransactie, zelfs indien de betaling geschiedde in bezettingsbetaalmiddelen. 4. De uitdrukking „culturele goederen” omvat roerende goederen van godsdienstige, kunstzinnige, documentaire, wetenschappelijke of historische waarde, of van overeenkomstige betekenis, waaronder begrepen voorwerpen welke gewoonlijk in musea, openbare of particuliere verzamelingen, bibliotheken of historische archieven aangetroffen worden. De uitdrukking „antiek” omvat goederen welke bij de inwerkingtreding van dit Verdrag tenminste honderd jaar oud zijn. Met de uitdrukking „aanzienlijke waarde” wordt bedoeld een waarde van tenminste 200.000 Franse francs van de koopkracht op 1 Januari 1951. 5. Het in lid 1 van dit artikel bedoelde bureau zal op verzoek van de Drie Mogendheden of haar vertegenwoordigers inlichtingen verstrekken aangaande door dit bureau behandelde zaken en brengt elke drie maanden rapport uit over zijn werkzaamheden. Het archief van dit bureau wordt bewaard totdat anders wordt overeengekomen.

Rechtspraak bij dit artikel