**1.** Ongeacht bepalingen in het Duitse recht van tegengestelde strekking, heeft elke persoon aan wie, of aan wiens rechtsvoorganger, tijdens de bezetting van een gebied goederen door diefstal of onder dwang (met of zonder geweld) door de strijdkrachten of de autoriteiten van Duitsland of zijn Bondgenoten of individuele leden daarvan zijn ontnomen (al dan niet op bevel) tegenover de huidige bezitter van die goederen aanspraak op restitutie, onder de volgende voorwaarden:
vergoeding door de eiser aan de beklaagde van de kosten welke zijn gemaakt ter verhoging van de waarde van de goederen nadat deze werden verkregen;
betaling door de eiser van de waarde van elke door hem of zijn rechtsvoorganger ontvangen vergoeding, welke op dezelfde wijze zal worden behandeld als Duitse activa welke zich op de datum van wegvoering in het land bevonden waaruit de goederen werden weggevoerd.
Een dergelijke aanspraak bestaat niet indien de huidige bezitter de goederen tien jaar lang of tenminste tot 8 Mei 1956 te goeder trouw in zijn bezit heeft gehad.
**2.** Elke eis tot restitutie krachtens lid 1 van dit artikel kan vóór 8 Mei 1956 of vóór het verstrijken van de tien jaar gedurende welke de bezitter de goederen te goeder trouw heeft bezeten, al naar gelang welk tijdstip later ligt, voor een Duits gerechtshof gebracht worden door elke onderdaan of ingezetene van een Staat welke is toegetreden tot het Statuut van de Scheidsrechterlijke Commissie voor goederen, rechten en belangen in de Bondsrepubiek Duitsland.
**3.** Geen aanspraak op restitutie kan worden gemaakt indien, vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag, een verzoek door een Regering ten behoeve van de eiser tot restitutie van de desbetreffende goederen door een instantie van een der Drie Mogendheden als niet-gegrond werd verworpen, uitgezonderd in gevallen waar bewijsmateriaal wordt aangevoerd dat voordien niet kon worden voorgelegd.
Artikel 3
Artikel 3
Onderdeel van Verdrag inzake de regeling van aangelegenheden voortspruitende uit de oorlog en de bezetting· Staats- en bestuursrecht
Deze tekst geldt sinds 6 september 1955