Naar hoofdinhoud
1. Een krijgsmacht, een civiele dienst, hun leden en gezinsleden zijn, onder voorbehoud van goedkeuring van de Bondsregering, gerechtigd de Bondsrepubliek binnen te komen met voertuigen, vaartuigen en luchtvaartuigen en zich daarin binnen en boven het grondgebied van de Bondsrepubliek te verplaatsen; transporten en andere verplaatsingen die vallen binnen het kader van de Duitse wettelijke bepalingen, met inbegrip van deze Overeenkomst en andere internationale overeenkomsten waarbij de Bondsrepubliek en één of meer Staten van herkomst partij zijn, alsmede daarmede verband houdende technische akkoorden en procedures, worden geacht te zijn goedgekeurd. Voor zover bijzondere en uitzonderlijke vergunningen en ontheffingen van de wettelijke bepalingen inzake het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn vereist voor militaire verplaatsingen en transporten, worden deze verkregen door de bevoegde diensten van de Duitse strijdkrachten. De bevoegde diensten van de Duitse strijdkrachten coördineren de behartiging van de militaire belangen van de krijgsmachten in verkeerszaken bij de civiele autoriteiten. Zij coördineren tevens de uitvoering van militaire verkeersbewegingen van de Staten van herkomst met elkaar en met het civiele verkeer. De aard en de omvang van die coördinatie wordt geregeld tussen de autoriteiten van de krijgsmachten en de Duitse strijdkrachten. Indien zulke regelingen niet worden getroffen, melden de krijgsmachten militaire bewegingen over de weg en per spoor aan de bevoegde diensten van de Duitse strijdkrachten. Ten aanzien van het militaire luchtverkeer zijn de gewone procedures van toepassing. 2. De exploitatierechten van de Duitse spoorwegen blijven onaangetast. Het gebruik van eigen goederenwagens en personenrijtuigen van een krijgsmacht, alsmede de toelating van eigen locomotieven van de krijgsmacht, wordt beheerst door contracten inzake gebruik of administratieve overeenkomsten gesloten tussen de autoriteiten van de krijgsmacht en de Duitse spoorwegautoriteiten. 3. Een krijgsmacht, een civiele dienst, hun leden en gezinsleden nemen, tenzij in deze Overeenkomst anders is bepaald, de Duitse verkeersvoorschriften in acht, met inbegrip van de voorschriften inzake het gedrag op de plaats van een ongeval, alsmede de voorschriften inzake het vervoer van gevaarlijke stoffen. Op de naleving van deze voorschriften wordt toegezien door de bevoegde autoriteiten. Ten einde de controle op de naleving van deze voorschriften te vergemakkelijken, kan dit toezicht gezamenlijk worden uitgeoefend. De uitoefening van dit toezicht kan worden geregeld in lokale akkoorden. Bestaande akkoorden blijven van kracht, tenzij deze worden herzien. 4. Een krijgsmacht mag van de Duitse wegenverkeersvoorschriften afwijken in overeenstemming met het Duitse recht. In geval van toekomstige wijzigingen in de Duitse wegenverkeerswetten of -voorschriften, vinden afwijkingen wegens militaire noodzaak plaats in overeenstemming met de tussen de autoriteiten van een krijgsmacht en de bevoegde Duitse autoriteiten overeengekomen procedures. Tussen de autoriteiten van een krijgsmacht en de Duitse autoriteiten worden overeenkomsten gesloten over de aanwijzing en het gebruik van een wegennet voor militair verkeer met motorrijtuigen en aanhangwagens, waarvan de afmetingen, de asdruk, het totaalgewicht of aantal de door de Duitse wegenverkeersvoorschriften gestelde beperkingen overschrijden. Het rijden met zodanige motorrijtuigen en aanhangwagens op wegen niet gelegen binnen het overeengekomen wegennet geschiedt slechts met toestemming van de bevoegde Duitse autoriteiten. De toestemming van de bevoegde Duitse autoriteiten is niet vereist in geval van ongevallen, rampen, of de noodtoestand, dan wel krachtens voorafgaande overeenstemming tussen de betrokken autoriteiten. 5. De autoriteiten van de Staat van herkomst nemen de fundamentele Duitse verkeersveiligheidsvoorschriften in acht. Binnen dit kader kunnen zij hun eigen normen betreffende het ontwerp, de bouw en de uitrusting van voertuigen, aanhangwagens, binnenvaartuigen of luchtvaartuigen toepassen. De Duitse autoriteiten en de autoriteiten van de krijgsmacht werken nauw samen bij de toepassing van deze bepaling. 6. Een krijgsmacht en een civiele dienst mogen burgerluchtvaartterreinen en andere landingsterreinen, die hun niet voor uitsluitend gebruik ter beschikking zijn gesteld, voor het landen met militaire luchtvaartuigen slechts gebruiken in noodgevallen of in overeenstemming met administratieve of andere overeenkomsten, gesloten met de bevoegde Duitse autoriteiten. 7. Vervallen. 8. Het geheel van de door de Duitse autoriteiten en de autoriteiten van de krijgsmachten ontwikkelde en toegepaste luchtverkeerscontrole en de daarbij behorende verbindingsmedia worden gecoördineerd voor zover dit vereist is ter verzekering van de luchtverkeersveiligheid en de gemeenschappelijke verdediging.

Rechtspraak bij dit artikel