Naar hoofdinhoud
1. Indien een bevoegde Duitse autoriteit voornemens is een van de maatregelen te nemen, waartoe een staat van verblijf bevoegd is ingevolge artikel III, vijfde lid, eerste volzin van het NAVO-Status Verdrag, stelt die autoriteit de bevoegde autoriteit van de betrokken staat van herkomst van dit voornemen in kennis, onder mededeling van de redenen waarop de voorgenomen maatregel is gebaseerd en stelt die autoriteit in de gelegenheid binnen een redelijke termijn haar mening hierover kenbaar te maken dan wel zelf de maatregelen te nemen die zij gepast acht. De Duitse autoriteiten nemen het eventueel door de staat van herkomst ingenomen standpunt en de eventueel door de autoriteiten van die staat genomen maatregelen in welwillende overweging. 2. De kennisgeving van het voornemen tot het nemen van een van de maatregelen, bedoeld in artikel III, vijfde lid van het NAVO-Status Verdrag, wordt gedaan door de Minister van Binnenlandse Zaken van het betrokken Land of, indien het Hamburg en Bremen betreft, door de Senator voor Binnenlandse Zaken (Senator für innere Angelegenheiten). 3. Verzoeken om verwijderingen en uitwijzingsbevelen worden slechts gedaan, onderscheidenlijk gegeven, indien de bevoegde Duitse autoriteit van mening is, dat op het tijdstip dat het verzoek of het bevel wordt gedaan, onderscheidenlijk gegeven, het verdere verblijf van de betrokken persoon op het grondgebied van de Bondsrepubliek de openbare orde of veiligheid daadwerkelijk in gevaar brengt.

Rechtspraak bij dit artikel