Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK V

Artikel 15

Artikel 15

Onderdeel van Vredesverdrag met Japan· Openbare orde en veiligheidsrecht

Deze tekst geldt sinds 17 juni 1952

(a). Op een aanvrage, ingediend binnen negen maanden na de inwerkingtreding van dit Verdrag tussen Japan en de betrokken Geallieerde Mogendheid, zal Japan binnen zes maanden na de datum van zodanige aanvrage, de eigendom, lichamelijke en onlichamelijke, en alle rechten en belangen, van elke aard, in Japan, van iedere Geallieerde Mogendheid en haar onderdanen, welke eigendom, rechten en belangen zich in Japan bevonden op enig ogenblik tussen 7 December 1941 en 2 September 1945, tenzij de eigenaar ze uit eigener beweging van de hand heeft gedaan zonder dwang of bedrog, teruggeven. Deze eigendom zal worden teruggegeven vrij van alle lasten en kosten, waaraan hij tengevolge van de oorlog onderworpen mocht zijn, en zonder enige kosten voor de teruggave. Over eigendom, waarvan de teruggave niet wordt gevraagd door of namens de eigenaar of door zijn Regering binnen de voorgeschreven periode, kan door de Japanse Regering worden beschikt naar zij verkiest. In gevallen, waarin zodanige eigendom zich binnen Japan bevond op 7 December 1941 en niet kan worden teruggegeven of schade heeft opgelopen tengevolge van de oorlog, zal schadevergoeding verleend worden op voorwaarden, welke niet minder gunstig zullen zijn dan die als bepaald in de ontwerp-wet op de Schadevergoeding voor Geallieerde Eigendommen, goedgekeurd door het Japanse Kabinet op 13 Juli 1951. (b). Met betrekking tot industriële eigendomsrechten, welke gedurende de oorlog zijn aangetast, zal Japan aan de Geallieerde Mogendheden en haar onderdanen voordelen blijven toekennen, welke niet minder zullen zijn dan die, welke tot dusverre werden toegekend krachtens de „Cabinet Orders” No. 309, in werking getreden op 1 September 1949, No. 12, in werking getreden op 28 Januari 1950 en No. 9, in werking getreden op 1 Februari 1950, alle als gewijzigd, mits die onderdanen dergelijke voordelen hebben aangevraagd binnen de in deze „Cabinet Orders” bepaalde termijnen. (c). Japan erkent, dat de literaire en artistieke eigendomsrechten, welke op 6 December 1941 in Japan bestonden met betrekking tot gepubliceerde en ongepubliceerde werken van Geallieerde Mogendheden en haar onderdanen, sinds die datum bestendigd zijn en erkent die rechten, welke sinds die datum in Japan zijn ontstaan of zouden zijn ontstaan, indien er geen oorlog was geweest, door de werking van enig verdrag of enige overeenkomst, waarbij Japan op die datum partij was, ongeacht de vraag of zulke verdragen of overeenkomsten bij of sinds het uitbreken van de oorlog door de binnenlandse wetgeving in Japan of in de betrokken Geallieerde Mogendheden waren vervallen of geschorst. Zonder dat de eigenaar van het recht daartoe een aanvraag behoeft in te dienen en zonder dat de betaling van een heffing of het voldoen aan een andere formaliteit noodzakelijk is, zal de periode van 7 December 1941 tot de inwerkingtreding van dit Verdrag tussen Japan en de betrokken Geallieerde Mogendheid niet worden gerekend tot de normale looptijd van dergelijke rechten; en die periode, vermeerderd met een periode van nog eens zes maanden, zal evenmin worden gerekend tot de periode, waarbinnen een letterkundig werk in het Japans moet zijn vertaald, teneinde de vertaalrechten in Japan te verkrijgen.

Rechtspraak bij dit artikel