Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk VI

Artikel 26

Bijdragen aan het Fonds van de staten die partij zijn

Onderdeel van Verdrag inzake de bescherming van het immaterieel cultureel erfgoed· Cultureel recht

Deze tekst geldt sinds 15 augustus 2012

1. Zonder afbreuk te doen aan aanvullende vrijwillige bijdragen, verbinden de staten die partij zijn bij dit Verdrag zich ertoe ten minste elke twee jaar een bijdrage aan het Fonds te betalen. De hoogte van het bedrag, in de vorm van een gelijk percentage dat op alle staten van toepassing is, wordt door de Algemene Vergadering bepaald. Het besluit van de Algemene Vergadering wordt genomen bij een meerderheid van de staten die partij zijn, die aanwezig zijn en hun stem uitbrengen en die niet de in het tweede lid van dit artikel bedoelde verklaring hebben afgelegd. In geen geval mag de bijdrage van een staat die partij is hoger zijn dan 1% van zijn bijdrage aan de gewone begroting van UNESCO. 2. Elke staat die bedoeld wordt in artikel 32 of in artikel 33 van dit Verdrag kan evenwel op het moment van nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding verklaren dat hij niet gebonden is door de bepalingen van het eerste lid van dit artikel. 3. Een staat die partij is bij dit Verdrag die de in het tweede lid van dit artikel bedoelde verklaring heeft afgelegd, streeft ernaar genoemde verklaring in te trekken door de Directeur-Generaal van UNESCO daarvan in kennis te stellen. Het intrekken van de verklaring heeft evenwel geen gevolgen voor de door de staat verschuldigde bijdrage tot de datum waarop de volgende zitting van de Algemene Vergadering aanvangt. 4. Teneinde het Comité in staat te stellen zijn werkzaamheden effectief te plannen, worden de bijdragen van de staten die partij zijn bij dit Verdrag die de in het tweede lid van dit artikel bedoelde verklaring hebben afgelegd, regelmatig, maar ten minste elke twee jaar, betaald. Deze bijdragen dienen de bijdragen, die zij verschuldigd zouden zijn indien zij gebonden zouden zijn door de bepalingen van het eerste lid van dit artikel, zo dicht mogelijk te benaderen. 5. Elke staat die partij is bij dit Verdrag die achterstallig is met de betaling van zijn verplichte of vrijwillige bijdrage voor het lopende jaar en het onmiddellijk daaraan voorafgaande kalenderjaar, is niet verkiesbaar als lid van het Comité; deze bepaling is niet van toepassing bij de eerste verkiezing. De zittingstermijn van een dergelijke staat die reeds lid is van het Comité wordt beëindigd op het tijdstip waarop de verkiezing wordt gehouden, die in artikel 6 van dit Verdrag is voorzien.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel