De bestuurder van een voertuig moet de snelheid daarvan te allen tijde in zijn macht hebben en met overleg en voorzichtig rijden. Hij moet vaart minderen of stilhouden, zo dikwijls de omstandigheden zulks vereisen of in het bijzonder, wanneer het zicht niet goed is.
HOOFDSTUK II
Artikel 10
Artikel 10
Onderdeel van Verdrag nopens het wegverkeer· Vervoersrecht
Deze tekst geldt sinds 19 oktober 1952