**1.** Een bestuurder moet, wanneer hij een andere bestuurder tegenkomt, of wanneer hij wordt ingehaald, zo dicht mogelijk bij de kant van de rijbaan blijven op de rijstrook, bestemd voor het verkeer in de richting, waarin hij gaat. Bij het inhalen moet een bestuurder het ingehaalde voertuig of dier aan de linker- of rechterzijde voorbij gaan, al naar de in het betrokken land geldende regel. Deze voorschriften behoeven niet van toepassing te zijn op het inhalen van trams of langs de weg rijdende treinen, noch op het inhalen op bepaalde bergwegen.
**2.** Bij de nadering van een voertuig of van een dier onder geleide moet een bestuurder:
bij het tegenkomen voldoende ruimte vrijlaten voor het uit de tegenovergestelde richting komende voertuig of dier onder geleide;
wanneer hij wordt ingehaald zo dicht mogelijk bij die zijde van de weg blijven, welke met zijn richting overeenkomt en zijn snelheid niet opvoeren.
**3.** Bestuurders, die voornemens zijn in te halen, moeten zich er van vergewissen, dat er voldoende ruimte is en voldoende zicht vooruit om zonder gevaar te kunnen inhalen. Na het inhalen moeten zij hun voertuig weer naar rechts of naar links brengen, al naar de in het betrokken land geldende regel, doch slechts na zich er van te hebben vergewist, dat zulks voor de ingehaalde voetganger of het ingehaalde voertuig of dier geen ongerief zal medebrengen.
HOOFDSTUK II
Artikel 11
Artikel 11
Onderdeel van Verdrag nopens het wegverkeer· Vervoersrecht
Deze tekst geldt sinds 19 oktober 1952