Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK II

Artikel 12

Artikel 12

Onderdeel van Verdrag nopens het wegverkeer· Vervoersrecht

Deze tekst geldt sinds 19 oktober 1952

1. Een bestuurder, die een splitsing, een kruising of een samenkomst van wegen of een overweg nadert, moet bijzondere voorzorgen treffen ter vermijding van ongelukken. 2. Ten aanzien van bepaalde wegen of weggedeelten kan bij kruisingen of verenigingen van wegen voorrang worden verleend. Zodanige voorrang moet door tekens zijn aangegeven. Een bestuurder, die zulk een weg of weggedeelte nadert, is gehouden de doorgang voor zich langs vrij te laten voor bestuurders, die deze weg of dit weggedeelte volgen. 3. De bepalingen van Bijlage 2 betreffende de voorrang bij kruisingen, voor zover niet begrepen onder het in het tweede lid van dit artikel bepaalde, zijn van toepassing voor de door bedoelde Bijlage gebonden Staten. 4. Een bestuurder moet, alvorens een andere weg in te slaan: zich er van vergewissen, dat hij zulks kan doen zonder gevaar voor andere weggebruikers; op duidelijk waarneembare wijze het voornemen daartoe kenbaar maken; zoveel mogelijk naar de kant van de rijbaan gaan, welke met zijn richting overeenkomt, indien hij naar die zijde wil afslaan; zoveel mogelijk naar het midden van de rijbaan gaan, indien hij naar de andere zijde wil afslaan, behoudens het bepaalde in het tweede lid van artikel 16; in geen geval het uit tegenovergestelde richting komende verkeer hinderen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel