De Hooge Verdragsluitende Partijen komen overeen, ingeval zij nog geen wettelijke of administratieve maatregelen hebben genomen met betrekking tot het verleenen van vergunningen voor en het houden van toezicht op arbeidsbeurzen en plaatsingsbureau's, zoodanige regelingen uit te vaardigen als noodig zijn om de bescherming van vrouwen en kinderen, die werk zoeken in een ander land, te verzekeren.
Het oorspronkelijke Verdrag is tot stand gekomen op 30 september 1921 (Stb. 1923/526) en is voor het Koninkrijk der Nederlanden in werking getreden op 19 september 1923 (Trb. 1961/103).
Artikel 6
Artikel 6
Onderdeel van Internationaal Verdrag ter bestrijding van de handel in vrouwen en kinderen, zoals gewijzigd door het Protocol van 12 november 1947· Internationaal publiekrecht
Deze tekst geldt sinds 24 april 1950