De Hooge Verdragsluitende Partijen komen overeen, met betrekking tot immigratie en emigratie, zoodanige wettelijke en administratieve maatregelen te nemen als noodig zijn om den handel in vrouwen en kinderen tegen te gaan. In het bijzonder verbinden zij zich om de maatregelen uit te vaardigen noodig voor de bescherming van vrouwen en kinderen, die op landverhuizersschepen reizen, niet alleen bij vertrek en aankomst, maar ook gedurende de reis, en tevens om te zorgen, dat in de spoorwegstations en bij de havens bekendmakingen worden aangeslagen, waarbij vrouwen en kinderen worden gewaarschuwd tegen de gevaren van den vrouwenhandel en waarbij wordt aangegeven, waar men onderkomen en bijstand kan verkrijgen.
Het oorspronkelijke Verdrag is tot stand gekomen op 30 september 1921 (Stb. 1923/526) en is voor het Koninkrijk der Nederlanden in werking getreden op 19 september 1923 (Trb. 1961/103).
Artikel 7
Artikel 7
Onderdeel van Internationaal Verdrag ter bestrijding van de handel in vrouwen en kinderen, zoals gewijzigd door het Protocol van 12 november 1947· Internationaal publiekrecht
Deze tekst geldt sinds 24 april 1950