Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Artikel 3

Onderdeel van Internationaal Verdrag ter bestrijding van de handel in meerderjarige vrouwen, zoals gewijzigd door het Protocol van 12 november 1947· Internationaal publiekrecht

Deze tekst geldt sinds 24 april 1950

De Hooge Verdragsluitende Partijen verbinden zich elkander met betrekking tot iedere persoon van het eene of het andere geslacht, die een van de strafbare feiten, bedoeld in dit Verdrag of in de Verdragen van 1910 en 1921 nopens de bestrijding van den handel in vrouwen en kinderen, zal hebben begaan of gepoogd zal hebben te begaan, indien de bestanddeelen van het strafbare feit in verschillende landen gepleegd zijn of hadden moeten worden gepleegd, de volgende inlichtingen mede te deelen (of gelijksoortige inlichtingen, welke de binnenlandsche wetten en regelingen mogelijk maken te verschaffen): a) De veroordeelende vonnissen met alle andere nuttige inlichtingen, die nopens den overtreder verkregen kunnen worden, b.v. omtrent zijn burgerlijken staat, zijn signalement, zijn vingerafdrukken, zijn portret, zijn politiedossier, zijn werkmethoden, enz.; b) Bijzonderheden betreffende maatregelen tot weigering van toelating of tot uitwijzing, welke op hem zijn toegepast. Deze stukken en gegevens zullen rechtstreeks en onverwijld worden toegezonden aan de autoriteiten van de landen, die bij ieder bijzonder geval betrokken zijn, door de autoriteiten, welke aangewezen zijn overeenkomstig artikel 1 van de Regeling op 18 Mei 1904 te Parijs gesloten. Deze toezending zal, voor zoover mogelijk, plaats hebben in alle gevallen, waarin een strafbaar feit, een veroordeeling, een weigering van toelating of een uitwijzing is vastgesteld. Het oorspronkelijke verdrag is tot stand gekomen op 11 oktober 1933 (Stb. 1935/598) en is voor het Koninkrijk der Nederlanden in werking getreden op 19 november 1935 (Trb. 1961/104).

Rechtspraak bij dit artikel