Indien tusschen de Hooge Verdragsluitende Partijen eenig geschil rijst nopens de uitlegging of toepassing van dit Verdrag of van de Verdragen van 1910 en 1921 en indien dit geschil niet op bevredigende wijze is opgelost kunnen worden langs diplomatieken weg, zal het worden geregeld overeenkomstig de bepalingen, die tusschen de partijen van kracht zijn met betrekking tot de regeling van internationale geschillen.
Ingeval zoodanige bepalingen niet zouden bestaan tusschen de bij het geschil betrokken partijen, zullen zij het geschil onderwerpen aan een scheidsrechterlijke of rechterlijke procedure. Bij gebreke aan overeenstemming ten aanzien van de keuze van een ander gerecht zullen zij, op verzoek van een harer, het geschil onderwerpen aan het Internationale Gerechtshof, indien zij alle partij zijn bij het Statuut van het Internationale Gerechtshof, en, indien zij niet alle partij bij het Statuut van het Internationale Gerechtshof zijn, aan een scheidsgerecht, dat samengesteld zal worden overeenkomstig het Haagsche Verdrag van 18 October 1907 nopens de vreedzame beslechting van internationale geschillen.
Het oorspronkelijke verdrag is tot stand gekomen op 11 oktober 1933 (Stb. 1935/598) en is voor het Koninkrijk der Nederlanden in werking getreden op 19 november 1935 (Trb. 1961/104).
Artikel 4
Artikel 4
Onderdeel van Internationaal Verdrag ter bestrijding van de handel in meerderjarige vrouwen, zoals gewijzigd door het Protocol van 12 november 1947· Internationaal publiekrecht
Deze tekst geldt sinds 24 april 1950