**1.** De inspecteurs van de arbeid, voorzien van behoorlijke legitimatiebewijzen, zullen bevoegd zijn:
om vrijelijk, zonder voorafgaande kennisgeving op elk uur van de dag en de nacht in elke aan toezicht onderworpen inrichting binnen te treden;
om overdag alle localiteiten te betreden, waarvan zij een redelijke grond hebben te veronderstellen, dat deze aan toezicht van de inspectie onderworpen zijn;
om over te gaan tot alle onderzoeken, contrôles of enquêtes, welke zij nodig mochten oordelen om er zich van te verzekeren, dat de wettelijke bepalingen daadwerkelijk in acht genomen worden en in het bijzonder:
om alleen of in tegenwoordigheid van getuigen de werkgever of het personeel der onderneming te ondervragen over alle aangelegenheden betreffende de toepassing van de wettelijke bepalingen;
om overlegging te vragen van alle boeken, registers en documenten, waarvan het aanhouden bij de wetgeving betrekking hebbende op de arbeidsvoorwaarden is voorgeschreven, ten einde na te gaan of die in overeenstemming met de wettelijke bepalingen zijn, en om afschriften daarvan of uittreksels daaruit te maken;
om het aanplakken van mededelingen te eisen, waarvan het aanbrengen bij de wettelijke bepalingen vereist is;
om monsters van materialen en stoffen, die gebruikt of behandeld worden, te nemen en mede te nemen teneinde die te analyseren, mits de werkgever of diens vertegenwoordiger gewaarschuwd wordt, dat materialen of stoffen daartoe genomen en medegenomen zijn.
**2.** Bij gelegenheid van een inspectiebezoek moet de inspecteur de werkgever of diens vertegenwoordiger van zijn aanwezigheid in kennis stellen, tenzij hij van oordeel is dat een dergelijke kennisgeving de uitoefening van zijn taak zou kunnen schaden.
DEEL I
Artikel 12
Artikel 12
Onderdeel van Verdrag betreffende de arbeidsinspectie in de industrie en de handel· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht
Deze tekst geldt sinds 15 september 1952