Naar hoofdinhoud

DEEL I

Artikel 3

Artikel 3

Onderdeel van Verdrag betreffende de nachtarbeid van jeudige personen in de nijverheid werkzaam· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht

Deze tekst geldt sinds 22 oktober 1955

1. Jeugdige personen beneden achttien jaar mogen gedurende de nacht niet in dienst zijn van noch arbeid verrichten in enige nijverheidsonderneming, hetzij het betreft een overheidsonderneming of een onderneming van een bijzonder persoon, of in een toebehoor daarvan, behalve in de hierna voorziene gevallen. 2. Wanneer de behoeften van hun leerlingopleiding of hun beroepsopleiding in bepaalde industrieën of bezigheden, waar de arbeid onafgebroken dag en nacht moet doorgaan, het vereisen, mag de bevoegde autoriteit, na raadpleging van de betrokken werkgevers- en werknemersorganisaties, nachtarbeid van jeugdige personen, die de leeftijd van zestien jaar bereikt hebben, doch beneden achttien jaar zijn, toestaan. 3. De jeugdige personen, overeenkomstig het vorig lid, ’s nachts tewerkgesteld, moeten tussen twee arbeidstijden een rusttijd van ten minste dertien achtereenvolgende uren genieten. 4. Indien bij de wetgeving van het land de nachtarbeid in broodbakkerijen aan het gehele personeel is verboden, mag de bevoegde autoriteit voor de jeugdige personen, die de leeftijd van zestien jaar bereikt hebben, wanneer hun leerlingopleiding of hun beroepsopleiding het vereisen, de tijdruimte tussen negen uur 's avonds en vier uur 's morgens in de plaats te stellen van de tijdruimte van ten minste zeven achtereenvolgende uren, liggende tussen tien uur 's avonds en zeven uur 's morgens, door de bevoegde autoriteit krachtens lid 3 van artikel 2 voorgeschreven.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel