Naar hoofdinhoud

DEEL I › HOOFDSTUK V

Artikel 30

Radio-uitrusting van luchtvaartuigen

Onderdeel van Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart· Vervoersrecht

Deze tekst geldt sinds 17 juli 1962

(a). Luchtvaartuigen van elke Verdragsluitende Staat mogen binnen of boven het grondgebied van andere Verdragsluitende Staten slechts dan een radiozendinstallatie aan boord hebben, indien een vergunning tot het inbouwen en gebruik daarvan is uitgereikt door de bevoegde autoriteiten van de Staat waarin het luchtvaartuig is ingeschreven. Het gebruik van radiozendinstallaties binnen het grondgebied van de Verdragsluitende Staat over wiens grondgebied wordt gevlogen, moet geschieden overeenkomstig de door die Staat gegeven voorschriften. (b). Radiozendinstallaties mogen slechts worden bediend door die leden van de bemanning die in het bezit zijn van een speciaal daartoe strekkende vergunning uitgereikt door de bevoegde autoriteiten van de Staat waarin het luchtvaartuig is ingeschreven.

Rechtspraak bij dit artikel