**1.** Dit Verdrag is van toepassing op elk zeegaand, mechanisch voortbewogen schip, hetzij publiek, hetzij privaat eigendom, dat gebezigd wordt voor handelsdoeleinden voor het vervoer van lading of van passagiers en ingeschreven is in een gebied, waarvoor het Verdrag van kracht is.
**2.** De nationale wetgeving moet aangeven, wanneer schepen in de zin van dit Verdrag als zeegaand worden beschouwd.
**3.** Dit Verdrag is niet van toepassing op:
schepen van minder dan 500 ton;
schepen hoofdzakelijk voortbewogen door zeilen, doch voorzien van hulpvoortstuwingswerktuigen;
schepen gebezigd in de visserij, in de walvisvaart of voor soortgelijke doeleinden;
sleepboten.
**4.** Het Verdrag moet echter, voorzover redelijk en praktisch mogelijk, worden toegepast op:
schepen tussen 200 en 500 ton;
de verblijven van de gewone zeevarenden aan boord van schepen gebezigd in de walvisvaart en voor soortgelijke doeleinden.
**5.** Bovendien kan ten aanzien van elk schip van de volledige toepassing van enige bepaling van deel III van dit Verdrag worden afgeweken, indien de bevoegde autoriteit, na overleg met de organisaties van reders en/of de reders zelf en met de erkende bona fide zeeliedenbonden, van mening is, dat de aan te brengen wijzigingen voordelen meebrengen, die tot resultaat hebben, dat de omstandigheden, over het geheel genomen, niet minder gunstig zijn dan die, welke het gevolg zouden zijn van volledige toepassing van de bepalingen van dit Verdrag; bijzonderheden van al deze wijzigingen moeten door het Lid worden medegedeeld aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau, die de Leden van de Internationale Arbeidsorganisatie daarvan in kennis moet stellen.
DEEL I
Artikel 1
Artikel 1
Onderdeel van Verdrag betreffende de huisvesting van de bemanning aan boord van schepen (herzien), 1949· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht
Deze tekst geldt sinds 17 december 1958