Naar hoofdinhoud

DEEL III

Artikel 16

Artikel 16

Onderdeel van Verdrag betreffende de huisvesting van de bemanning aan boord van schepen (herzien), 1949· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht

Deze tekst geldt sinds 17 december 1958

1. De bevoegde autoriteit mag met betrekking tot de schepen, genoemd in lid 5 van artikel 10, ten aanzien van de daar bedoelde leden van de bemanning, de voorschriften, neergelegd in de voorafgaande artikelen, voor zoveel nodig wijzigen, teneinde rekening te houden met hun bepaalde nationale gewoonten en gebruiken en in het bijzonder mag zij bijzondere voorschriften geven voor wat betreft het aantal personen in de slaapverblijven en betreffende eetverblijven en sanitaire inrichtingen. 2. Wanneer de bevoegde autoriteit deze voorschriften wijzigt, is zij gebonden aan het bepaalde in de leden 1 en 2 van artikel 10 en aan het minimum vloeroppervlak van de slaapverblijven voor dergelijk personeel als voorgeschreven in lid 5 van artikel 10. 3. Aan boord van schepen, waar de bemanning van één dienst bestaat uit personen van zeer verschillende nationale gewoonten en gebruiken, moeten afzonderlijke en geschikte slaap- en woonverblijven, als nodig is om aan de behoefte van de verschillende nationaliteiten te voldoen, beschikbaar worden gesteld. 4. Aan boord van schepen, bedoeld in lid 5 van artikel 10, moeten de ziekenverblijven, de gelegenheid voor het gebruik van de maaltijden, de badgelegenheid en sanitaire inrichtingen, beschikbaar gesteld en onderhouden worden in een mate, welke wat betreft de omvang en de praktische bruikbaarheid, gelijk of vergelijkbaar is met die, welke op alle andere schepen van hetzelfde type en ingeschreven in hetzelfde land, gebruikelijk is. 5. De bevoegde autoriteit moet bij het ontwerpen van de bijzondere voorschriften krachtens dit artikel overleg plegen met de betrokken erkende bona fide zeeliedenbonden en met de organisaties van reders en/of de reders, die deze zeelieden in dienst hebben.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel