Naar hoofdinhoud

DEEL III

Artikel 8

Artikel 8

Onderdeel van Verdrag betreffende de huisvesting van de bemanning aan boord van schepen (herzien), 1949· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht

Deze tekst geldt sinds 17 december 1958

1. Er moet een doeltreffende verwarmingsinrichting voor de bemanningsverblijven aanwezig zijn, behalve aan boord van schepen, die uitsluitend gebezigd worden voor reizen in de tropen en in de Perzische Golf. 2. De verwarmingsinrichting moet, wanneer dit praktisch mogelijk is, zijn bijgezet gedurende de gehele tijd, dat de bemanning aan boord woont of werkt en de omstandigheden dit vereisen. 3. Aan boord van alle schepen, waar een verwarmingsinrichting is voorgeschreven, moet de verwarming door middel van stoom, heet water, warme lucht of electriciteit geschieden. 4. Aan boord van elk schip, waarin de verwarming door een kachel plaats vindt, moeten maatregelen zijn genomen, opdat de kachel van voldoende capaciteit is, behoorlijk vastgezet en beveiligd is en de lucht niet wordt verontreinigd. 5. De verwarmingsinrichting moet in staat zijn om in de verblijven van de bemanning de temperatuur bij normale omstandigheden van weer en klimaat, zoals deze in de vastgestelde dienst te verwachten zijn, op bevredigende hoogte te houden. De bevoegde autoriteit moet daartoe de maatstaf voorschrijven. 6. Radiatoren en andere verwarmingstoestellen moeten zodanig geplaatst en — waar nodig — beschermd zijn, dat brandgevaar en gevaar of ongemak voor de gebruikers van het verblijf wordt vermeden.

Rechtspraak bij dit artikel