**(1).** In dit Verdrag betekent, tenzij het zinsverband iets anders vereist:
(a) De uitdrukking „Verenigde Staten”: de Verenigde Staten van Amerika, en wanneer deze uitdrukking in aardrijkskundige zin wordt gebezigd: de Staten en het District Columbia.
(b) De uitdrukking „Nederland”: alleen het Rijk in Europa.
(c) De uitdrukking „een lichaam der Verenigde Staten”: een vennootschap, vereniging of andere organisatie of rechtskundige eenheid — al dan niet rechtspersoonlijkheid bezittende — opgericht in de Verenigde Staten of naar het recht van de Verenigde Staten of van een Staat of gebiedsdeel van de Verenigde Staten.
(d) De uitdrukking „Nederlands lichaam”: een vennootschap, vereniging of andere organisatie of rechtskundige eenheid — al dan niet rechtspersoonlijkheid bezittende — opgericht in Nederland of naar Nederlands recht.
(e) De uitdrukking „lichaam van een Verdragsluitende Staat” en „lichaam van de andere Verdragsluitende Staat”: een lichaam der Verenigde Staten of een Nederlands lichaam, al naar het zinsverband vereist.
(f) De uitdrukking „onderneming der Verenigde Staten”: een onderneming op het gebied van nijverheid of handel, gedreven in de Verenigde Staten door een burger of inwoner van de Verenigde Staten of door een lichaam der Verenigde Staten.
(g) De uitdrukking „Nederlandse onderneming”: een onderneming op het gebied van nijverheid of handel, gedreven in Nederland door een burger of inwoner van Nederland of door een Nederlands lichaam.
(h) De uitdrukking „onderneming van een der Verdragsluitende Staten” en „onderneming van de andere Verdragsluitende Staat”: een onderneming der Verenigde Staten of een Nederlandse onderneming al naar het zinsverband vereist.
(i)
De uitdrukking „vaste inrichting”: een vaste bedrijfsinrichting waarin de werkzaamheden van een onderneming van een der Verdragsluitende Staten geheel of gedeeltelijk worden uitgeoefend.
Als vaste inrichtingen worden met name beschouwd:
een filiaal;
een kantoor;
een verkoopgelegenheid;
een fabriek;
een werkplaats;
een mijn, een steengroeve of een andere plaats van natuurlijke hulpbronnen in exploitatie;
uitvoering van een bouwwerk of constructiewerkzaamheden, waarvan de duur twaalf maanden overschrijdt.
Niettegenstaande letter (i) (A) van dit lid wordt een vaste inrichting niet aanwezig geacht bij een of meer van de volgende werkzaamheden:
het gebruik maken van inrichtingen voor de opslag, uitstalling of aflevering van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar;
het aanhouden van een voorraad van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar voor de opslag, uitstalling of aflevering;
het aanhouden van een voorraad van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar voor de bewerking of verwerking door een andere onderneming;
het aanhouden van een vaste bedrijfsinrichting voor de aankoop van goederen of koopwaar of voor de inwinning van inlichtingen voor de onderneming;
het aanhouden van een vaste bedrijfsinrichting voor reclamedoeleinden, voor het geven van inlichtingen, voor wetenschappelijk onderzoek of voor het verrichten van soortgelijke werkzaamheden, indien zij voor de onderneming van voorbereidende aard zijn of het karakter van hulpwerkzaamheden hebben.
Zelfs indien een onderneming van een der Verdragsluitende Staten niet een vaste inrichting in de andere Staat heeft ingevolge letters (i) (A) tot (C) van dit lid, wordt zij toch geacht een vaste inrichting in laatstbedoelde Staat te bezitten indien zij in die Staat haar bedrijf uitoefent door middel van een vertegenwoordiger die een machtiging bezit om namens de onderneming overeenkomsten af te sluiten en dit recht in die Staat geregeld uitoefent, tenzij de machtiging beperkt is tot de aankoop van goederen of waren voor rekening van de onderneming.
Een onderneming van een der Verdragsluitende Staten wordt niet geacht een vaste inrichting in de andere Staat te bezitten, enkel op grond van het feit, dat zij aldaar haar bedrijf uitoefent door middel van een makelaar, commissionnair of enige andere onafhankelijke vertegenwoordiger, ingeval deze personen in de normale uitoefening van hun bedrijf handelen.
De omstandigheid dat een inwoner of een lichaam van een der Verdragsluitende Staten
een lichaam van de andere Staat, of
een lichaam, dat in die andere Staat zijn bedrijf uitoefent (hetzij door middel van een vaste inrichting of op andere wijze)
beheerst of door zulk een lichaam wordt beheerst dan wel door dezelfde persoon of personen wordt beheerst als laatstbedoeld lichaam, wordt niet in aanmerking genomen bij het bepalen of zulk een inwoner of lichaam een vaste inrichting in die andere Staat bezit.
(j) De uitdrukking „bevoegde autoriteit” of „bevoegde autoriteiten”, voor zoveel betreft de Verenigde Staten: de „Commissioner of Internal Revenue” of zijn bevoegde vertegenwoordiger en voor zoveel Nederland betreft: de Directeur-Generaal der Belastingen of zijn bevoegde vertegenwoordiger; en met betrekking tot enig (gebieds) deel, waartoe bepalingen van dit Verdrag zijn uitgebreid ingevolge Artikel XXVII, de bevoegde autoriteit voor de uitvoering in zulk (gebieds) deel van de belastingen, waarop de bedoelde bepalingen van toepassing zijn.
**(2).** Voor de toepassing van de bepalingen van dit Verdrag door ieder van de Verdragsluitende Staten zal elke niet nader in dit Verdrag omschreven uitdrukking, tenzij het zinsverband iets anders vereist, de betekenis hebben, welke die uitdrukking heeft volgens de wetten van die Verdragsluitende Staat met betrekking tot de belastingen, welke het onderwerp zijn van dit Verdrag.
Artikel II
Artikel II
Onderdeel van Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika met betrekking tot belastingen van inkomsten en bepaalde andere belastingen· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 8 juli 1966