Naar hoofdinhoud
(1). Dividenden betaald door een lichaam van een der Verdragsluitende Staten aan een inwoner of een lichaam van de andere Verdragsluitende Staat worden in de eerstbedoelde Staat als volgt belast: naar een tarief dat 15 procent van het werkelijk uitgedeelde bruto-bedrag niet overschrijdt; of naar een tarief dat 5 procent van het werkelijk uitgedeelde bruto-bedrag niet overschrijdt, indien de genieter een lichaam is, dat gedurende het gedeelte van het belastingjaar van het betalende lichaam, dat aan de datum van betaling van het dividend voorafgaat en gedurende het gehele daaraan voorafgaande belastingjaar (zo dit er is), tenminste 25 procent van het stemgerechtigde aandelenkapitaal van het betalende lichaam heeft bezeten, hetzij alleen, hetzij tezamen met een ander lichaam van die andere Staat, op voorwaarde dat elk der ontvangende lichamen tenminste 10 procent van dat stemgerechtigde aandelenkapitaal heeft bezeten. (2). De bepalingen van letter (b) zijn niet van toepassing indien meer dan 25 procent van de bruto-inkomsten van het betalende lichaam in dat voorafgaande belastingjaar (zo dit er is) uit interest en dividenden bestond (niet zijnde interest behaald met de uitoefening van een bank-, verzekerings- of financieringsbedrijf en dividenden of interest ontvangen van onderhorige lichamen, van welker stemgerechtigde aandelenkapitaal het betalende lichaam ten tijde van het ontvangen van die dividenden of interest 50 procent of meer bezat). (3). Het eerste lid van dit artikel is niet van toepassing indien de genieter van de dividenden een vaste inrichting in eerstbedoelde Staat bezit en de aandelen, ter zake waarvan de dividenden worden betaald, tot het bedrijfsvermogen van de vaste inrichting behoren. In zodanig geval zijn de bepalingen van artikel III van toepassing.

Rechtspraak bij dit artikel