Iedere Regeering verbindt zich toezicht te doen houden ten einde in het bijzonder aan de stations, in de havens van inscheping en gedurende de reis de begeleiders van vrouwen en meisjes, bestemd om aan een ontuchtig leven te worden overgeleverd, op te sporen. Te dien einde zullen aan de ambtenaren en aan alle bevoegde personen instructiën worden gegeven om binnen de wettelijke grenzen alle inlichtingen te verstrekken, die dienstig kunnen zijn om op het spoor van zoodanigen misdadigen handel te geraken.
De aankomst van personen die klaarblijkelijk de daders, de medeplichtigen of de slachtoffers zijn van zoodanigen handel, zal, wanneer het geval zich voordoet, ter kennis worden gebracht hetzij van de autoriteiten der plaats van bestemming, hetzij van de betrokken diplomatieke of consulaire ambtenaren, hetzij van iedere andere bevoegde autoriteit.
Het oorspronkelijke verdrag is tot stand gekomen op 18 mei 1904 (Stb. 1907/79) en is voor het Koninkrijk der Nederlanden in werking getreden op 14 juli 1907 (Trb. 1961/100).
Artikel 2
Artikel 2
Onderdeel van Internationale Regeling tot bestrijding van de zogenaamde handel in vrouwen en meisjes, zoals gewijzigd door het Protocol van 4 mei 1949· Internationaal publiekrecht
Deze tekst geldt sinds 21 juni 1951