De Regeeringen verbinden zich bij voorkomende gevallen en binnen de wettelijke grenzen, proces-verbaal te doen opmaken van de verklaringen der vrouwen of meisjes van vreemde nationaliteit, die zich aan prostitutie overgeven, ten einde hare identiteit en haren burgerlijken staat te doen vaststellen en te onderzoeken wie haar heeft doen besluiten haar vaderland te verlaten. De verkregen inlichtingen zullen met het oog op hare eventueele terugleiding naar haar vaderland worden medegedeeld aan de autoriteiten van het land van herkomst van gezegde vrouwen of meisjes.
De Regeeringen verbinden zich om binnen de wettelijke grenzen en voor zoover het mogelijk blijkt de slachtoffers van dezen misdadigen handel, indien zij van middelen ontbloot zijn, voorloopig met het oog op hare terugleiding naar haar vaderland ter verzorging toe te vertrouwen aan openbare of particuliere instellingen van armenzorg of aan bijzondere personen, die de daarvoor noodige waarborgen aanbieden.
De Regeeringen verbinden zich mede om binnen de wettelijke grenzen en voor zoover het mogelijk blijkt de vrouwen of meisjes die dit vragen of die opgeëischt worden door hen, aan wie gezag over haar toekomt, terug te zenden naar het land van hare herkomst. De terugzending heeft eerst plaats, nadat men zich zal verstaan hebben omtrent hare identiteit en nationaliteit, zoomede omtrent plaats en tijd van aankomst aan de grenzen. Elk der contracteerende landen zal de doorreis op zijn gebied bevorderen.
De briefwisseling betreffende de terugleiding zal zoo mogelijk rechtstreeks plaats hebben.
Het oorspronkelijke verdrag is tot stand gekomen op 18 mei 1904 (Stb. 1907/79) en is voor het Koninkrijk der Nederlanden in werking getreden op 14 juli 1907 (Trb. 1961/100).
Artikel 3
Artikel 3
Onderdeel van Internationale Regeling tot bestrijding van de zogenaamde handel in vrouwen en meisjes, zoals gewijzigd door het Protocol van 4 mei 1949· Internationaal publiekrecht
Deze tekst geldt sinds 21 juni 1951