Wanneer krijgsgevangenen niet beschikken over de bijstand van een aangehouden geestelijke der strijdkrachten of van een krijgsgevangen bedienaar van hun eredienst, zal, op verzoek van de belanghebbende krijgsgevangenen, een geestelijke die hun eigen dan wel een aanverwant geloof belijdt, of, bij gebreke daarvan, een daartoe bekwame leek, indien zulks uit confessioneel oogpunt mogelijk is, worden aangewezen om deze taak te vervullen. Deze aanwijzing, welke onderworpen is aan de goedkeuring van de gevangenhoudende Mogendheid, zal geschieden met instemming van de gemeenschap der betrokken krijgsgevangenen en, waar nodig, met goedkeuring van de plaatselijke geestelijke overheid van dezelfde geloofsbelijdenis. De aldus aangewezene moet zich gedragen naar alle voorschriften, door de gevangenhoudende Mogendheid vastgesteld in het belang van de orde en tucht en de militaire veiligheid.
TITEL III › AFDELING II › HOOFDSTUK V
Artikel 37
Artikel 37
Onderdeel van Verdrag van Genève betreffende de behandeling van krijgsgevangenen· Internationaal publiekrecht
Deze tekst geldt sinds 3 februari 1955