Naar hoofdinhoud
(1). De duur der bescherming door deze Conventie toegekend, omvat het leven van de auteur en vijftig jaren na zijn dood. (2). Ingeval echter een of meer Landen van het Verbond een langere dan de in het eerste lid voorziene duur toekennen, wordt de duur geregeld door de wet van het Land, waar de bescherming wordt ingeroepen; hij kan echter de in het Land van herkomst van het werk vastgestelde duur niet overtreffen. (3). Voor cinematografische werken, voor fotogafische werken alsmede voor werken volgens een soortgelijke werkwijze als de cinematografie of de fotografie vervaardigd, en voor werken van toegepaste kunst, wordt de beschermingsduur geregeld door de wet van het Land waar de bescherming wordt ingeroepen, zonder dat die duur de in het Land van herkomst van het werk vastgestelde duur kan overschrijden. (4). Voor anonieme of pseudonieme werken wordt de beschermingsduur vastgesteld op vijftig jaren, te rekenen van de dag van openbaarmaking. Wanneer evenwel de door de auteur aangenomen schuilnaam geen enkele twijfel aan zijn identiteit laat, is de beschermingsduur die welke is voorzien in het eerste lid. Indien de auteur van een anoniem of pseudoniem werk zijn identiteit tijdens het hierboven aangegeven tijdvak openbaart, is de toe te passen beschermingstermijn die welke is voorzien in het eerste lid. (5). Voor posthume werken, welke niet behoren tot de categorieën van werken bedoeld in de leden 3 en 4, eindigt de ten behoeve van de erfgenamen en andere rechtverkrijgenden van de auteur lopende beschermingsduur vijftig jaren na de dood van de auteur. (6). De beschermingstermijn na de dood van de auteur en de in de leden 3, 4 en 5 voorziene termijnen beginnen te lopen van de dood of de openbaarmaking af, maar de duur van deze termijnen wordt slechts berekend met ingang van de eerste Januari van het jaar, volgende op de gebeurtenis die genoemde termijnen heeft doen ingaan.

Rechtspraak bij dit artikel