Naar hoofdinhoud
(1). Onafhankelijk van de vermogensrechtelijke auteursrechten, en zelfs na overdracht van die rechten, behoudt de auteur gedurende zijn gehele leven het recht om het vaderschap van het werk op te eisen, en om zich te verzetten tegen elke misvorming, verminking of andere wijziging van dat werk, of tegen elke andere aantasting daarvan, die nadeel zou kunnen toebrengen aan zijn eer of zijn naam. (2). Voorzover de nationale wetgeving van de Landen van het Verbond het toelaat, worden de krachtens het eerste lid aan de auteur toegekende rechten na zijn dood gehandhaafd ten minste tot het vervallen van de vermogensrechten, en uitgeoefend door de daartoe door deze wetgeving bevoegd verklaarde personen of instellingen. Het vaststellen van de voorwaarden waaronder de in dit lid bedoelde rechten kunnen worden uitgeoefend, wordt voorbehouden aan de binnenlandse wetgeving van de Landen van het Verbond. (3). De rechtsmiddelen ter handhaving van de in dit artikel toegekende rechten worden geregeld door de wetgeving van het Land waar de bescherming wordt ingeroepen.

Rechtspraak bij dit artikel