Onverminderd de uitzonderingen, vervat in de artikelen 6 en 7 van dit Verdrag, verplichten de Hoge Verdragsluitende Partijen zich de hierna genoemde middelen te verbieden, die tot massale vernietiging of vangst van vogels kunnen leiden of hun onnodig lijden kunnen toebrengen.
Wat evenwel die landen betreft, waar dergelijke middelen op dit ogenblik wettelijk zijn toegelaten, verbinden de Hoge Verdragsluitende Partijen zich in hun wetgevingen van lieverlede die maatregelen in te voeren, welke het gebruik van dergelijke middelen verbieden of beperken:
strikken, lijm, vallen, haken, netten, vergiftigd aas, verdovende middelen, blinde lokvogels;
eendekooien;
spiegels, toortsen en andere kunstmatige lichtbronnen;
visnetten en ander vistuig voor de vangst van watervogels;
repeteer-geweren of automatische geweren, die meer dan twee patronen kunnen bevatten;
in het algemeen alle andere vuurwapenen dan die, welke van de schouder kunnen worden bediend;
het achtervolgen van of het schieten op vogels met gebruikmaking van motorboten op de binnenwateren en van 1 Maart tot 1 October op de territoriale en kustwateren;
het gebruik van motorrijtuigen of watervliegtuigen, vanwaaruit vogels kunnen worden gedood;
het instellen van beloningen voor het vangen of doden van vogels;
het voorrecht om onbeperkt met het geweer en met netten te jagen op zee en langs rivieroevers en zeestranden wordt gedurende het gehele jaar geregeld en gedurende de voortplantingsperiode opgeschort;
alle andere middelen gericht op de massale vangst of verdelging van vogels.
Artikel 5
Artikel 5
Onderdeel van Internationaal Verdrag tot bescherming van vogels· Onderwijsrecht
Deze tekst geldt sinds 17 januari 1963