Indien in een bepaalde streek een vogelsoort hetzij een gevaar zou gaan vormen voor zekere vormen van landbouw, veeteelt, jacht of visserij ten gevolge van de schade, die zij zou toebrengen aan akkers, wijngaarden, tuinen, boomgaarden, bossen, wild of visstand, hetzij een of meer soorten, welker instandhouding wenselijk is, met uitroeiing of enkel vermindering zou bedreigen, kan het bevoegde gezag door uitgifte van persoonlijke vergunningen voorzover het die soort betreft ontheffing verlenen van de verboden, vervat in de artikelen 2 tot en met 5. Het is evenwel niet wettelijk toegestaan om aldus gedode vogels te kopen of te verkopen en hen te vervoeren buiten de streek, waar zij gedood zijn.
Indien de nationale wetgevingen andere bepalingen bevatten, die het mogelijk maken de schade, door zekere vogelsoorten aangericht, te beperken onder voorwaarden, die het voortbestaan van die soorten waarborgen, kunnen deze bepalingen door de Hoge Verdragsluitende Partijen worden gehandhaafd.
Met het oog op het bijzondere belang, dat de economische omstandigheden in Zweden, Noorwegen, Finland en de Fär-Öer in dit verband hebben, kan het bevoegde gezag in die landen uitzonderingen toestaan op en zekere ontheffingen verlenen van de bepalingen van dit Verdrag. In het geval, dat IJsland tot dit Verdrag zou toetreden, kunnen op verzoek van dit land de vorengenoemde ontheffingen daar worden toegepast.
Geen enkele maatregel mag in een bepaald land worden genomen, die tot volslagen vernietiging kan leiden van soorten van stand- of trekvogels, als bedoeld in dit artikel.
Artikel 6
Artikel 6
Onderdeel van Internationaal Verdrag tot bescherming van vogels· Onderwijsrecht
Deze tekst geldt sinds 17 januari 1963