Naar hoofdinhoud

DEEL II › PARAGRAAF II

Artikel 19

Artikel 19

Onderdeel van Vredesverdrag tussen de Geallieerde en Geassocieerde Mogendheden en Italië· Openbare orde en veiligheidsrecht

Deze tekst geldt sinds 17 februari 1949

1. Italiaanse burgers, die op 10 Juni 1940 hun woonplaats hadden in een gebied, hetwelk krachtens dit Verdrag door Italië aan een andere Staat is afgestaan, alsmede hun kinderen, die na die datum geboren zijn, worden, behoudens hetgeen in het volgend lid bepaald is, burgers van de Staat, waaraan het gebied is overgegaan, met het volle genot van de burgerlijke en staatkundige rechten van die Staat, overeenkomstig de wetgeving, die binnen drie maanden na het van kracht worden van dit Verdrag door die Staat te dien einde zal worden afgekondigd. Nadat zij burgers van die Staat zijn geworden, verliezen zij hun Italiaanse nationaliteit. 2. De Regering van de Staat, waaraan het gebied is overgegaan, zal binnen drie maanden na het van kracht worden van dit Verdrag de nodige wettelijke maatregelen nemen, ten einde alle in het eerste lid genoemde personen boven de leeftijd van achttien jaar (of gehuwde personen, die al of niet die leeftijd bereikt hebben), wier gewone spreektaal Italiaans is, het recht toe te kennen binnen de tijd van een jaar na het van kracht worden van dit Verdrag de Italiaanse nationaliteit te kiezen. Een ieder, die aldus gekozen heeft, zal de Italiaanse nationaliteit behouden en niet beschouwd worden de nationaliteit te hebben verworven van de Staat, waaraan het gebied is overgegaan. De keuze van de man houdt niet in de keuze van de echtgenote. De keuze van alle ongehuwde kinderen beneden de leeftijd van achttien jaar wordt automatisch bepaald door de keuze van de vader of, indien de vader overleden is, door die van de moeder. 3. De Staat, waaraan het gebied is overgegaan, kan eisen, dat zij, die van het recht van keuze gebruik maken, zich binnen een jaar na de dag, waarop zij deze keuze hebben gedaan, in Italië vestigen. 4. De Staat, waaraan het gebied is overgegaan, zal overeenkomstig zijn fundamentele wetten aan alle binnen dit gebied verblijvende personen, ongeacht hun ras, geslacht, taal of godsdienst, het genot verzekeren van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, met inbegrip van de vrijheid van meningsuiting, van drukpers en publicatie, van godsdienst, van politieke overtuiging en van vereniging.

Rechtspraak bij dit artikel