Ingeval één der verdragsluitende Staten dit verdrag mocht opzeggen, heeft de opzegging alleen gevolg ten aanzien van dien Staat.
De kennisgeving van opzegging geschiedt door een akte, welke wordt nedergelegd in het archief van de Verenigde Naties. De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties doet van die akte een gewaarmerkt afschrift toekomen aan elk van de Verdragsluitende Staten en aan alle Leden van de Verenigde Naties en deelt deze te zelfder tijd de datum der nederlegging mede.
Twaalf maanden na dezen datum houdt het verdrag op van kracht te zijn in het geheele grondgebied van den Staat, die het heeft opgezegd.
De opzegging van het verdrag brengt niet van rechtswege gelijktijdige opzegging van de Regeling van 18 Mei 1904 mede, tenzij hiervan uitdrukkelijk melding wordt gemaakt in de akte van kennisgeving, zoo niet, dan moet de verdragsluitende Staat, om bedoelde Regeling op te zeggen, handelen overeenkomstig artikel 8 daarvan.
Het oorspronkelijke Verdrag is tot stand gekomen op 4 mei 1910 (Stb. 1912/355) en is voor het Koninkrijk der Nederlanden in werking getreden op 8 februari 1913 (Trb. 1961/101).
Artikel 10
Artikel 10
Onderdeel van Internationaal Verdrag tot bestrijding van de zogenaamde handel in vrouwen en meisjes, zoals gewijzigd door het Protocol van 4 mei 1949· Internationaal publiekrecht
Deze tekst geldt sinds 14 augustus 1951