Naar hoofdinhoud

Artikel 11

Artikel 11

Onderdeel van Internationaal Verdrag tot bestrijding van de zogenaamde handel in vrouwen en meisjes, zoals gewijzigd door het Protocol van 4 mei 1949· Internationaal publiekrecht

Deze tekst geldt sinds 14 augustus 1951

Indien een van de Verdragsluitende Staten wenst, dat dit Verdrag in werking zal treden in een of meer van zijn koloniën, bezittingen of consulaire rechterlijke ressorten, geeft hij met dat doel van zijn voornemen kennis door een akte, die wordt nedergelegd in het archief van de Verenigde Naties. De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties doet van die akte een gewaarmerkt afschrift aan elk van de Verdragsluitende Staten en aan alle Leden van de Verenigde Naties toekomen en deelt deze te zelfder tijd de datum der nederlegging mede. In bedoelde akte van kennisgeving wordt voor deze koloniën, bezittingen of consulaire rechterlijke ressorten mededeeling gedaan van de aldaar met betrekking tot het onderwerp van dit verdrag uitgevaardigde wetten. De wetten die in den vervolge aldaar mochten worden uitgevaardigd, geven eveneens aanleiding tot het doen van mededeelingen aan de verdragsluitende Staten, overeenkomstig art. 4. Zes maanden na den datum van de nederlegging der akte van kennisgeving treedt het verdrag in werking in de koloniën, bezittingen of consulaire rechterlijke ressorten, vermeld in de akte van kennisgeving. De verzoekende Staat geeft door eene tot elk der andere verdragsluitende Staten gerichte mededeeling te kennen, welke wijze of wijzen van overzending hij toelaat voor rogatoire commissies, bestemd voor de koloniën, bezittingen of consulaire rechterlijke ressorten, welke het onderwerp uitmaken van de in het eerste lid van dit artikel bedoelde kennisgeving. De opzegging van het Verdrag door een van de Verdragsluitende Saten voor een of meer van zijn koloniën, bezittingen of consulaire rechterlijke ressorten geschiedt in de vormen en onder de voorwaarden, bepaald in het eerste lid van dit artikel. Zij heeft gevolg twaalf maanden na de datum van de nederlegging der akte van opzegging in het archief van de Verenigde Naties. De toetreding tot het verdrag door een verdragsluitenden Staat voor een of meer zijner koloniën, bezittingen of consulaire rechterlijke ressorten brengt van rechtswege en zonder uitdrukkelijke kennisgeving, gelijktijdige en volledige toetreding mede tot de Regeling van 18 Mei 1904. Bedoelde Regeling treedt aldaar in werking op denzelfden datum als het verdrag zelf. Tenzij zulks uitdrukkelijk in de akte van kennisgeving is vermeld, brengt evenwel de opzegging van het verdrag door een verdragsluitenden Staat voor een of meer zijner koloniën, bezittingen of consulaire rechterlijke ressorten, aldaar niet van rechtswege gelijktijdige opzegging van de Regeling van 18 Mei 1904 mede; buitendien blijven van kracht de verklaringen door de Mogendheden, die de Regeling van 18 Mei 1904 onderteekend hebben, afgelegd nopens de toetreding van hare koloniën tot genoemde Regeling. Niettemin geschieden van af den datum der inwerkingtreding van dit verdrag de toetredingen of opzeggingen welke die Regeling gelden en de koloniën, bezittingen of consulaire rechterlijke ressorten der verdragsluitende Staten betreffen, overeenkomstig de bepalingen van dit artikel. Het oorspronkelijke Verdrag is tot stand gekomen op 4 mei 1910 (Stb. 1912/355) en is voor het Koninkrijk der Nederlanden in werking getreden op 8 februari 1913 (Trb. 1961/101).

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel