Naar hoofdinhoud

Artikel II

Artikel II

Onderdeel van Verdrag van handel en scheepvaart tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Polen· Vervoersrecht

Deze tekst geldt sinds 5 juni 1925

1. De onderdanen van elk der verdragsluitende Partijen zullen op het grondgebied der andere Partij ten aanzien van hunne rechtspositie, hunne roerende en onroerende goederen, hunne rechten en belangen, dezelfde behandeling ondervinden als die, welke is toegestaan of zal worden toegestaan aan de onderdanen van de meestbegunstigde natie. 2. Het zal hun vrijstaan hunne zaken op het grondgebied der andere Partij te regelen, hetzij persoonlijk, hetzij door een tusschenpersoon hunner eigen keuze, en zij zullen, mits zij zich gedragen naar de wetten des lands, het recht hebben om in rechten op te treden en vrijen toegang hebben tot de autoriteiten. Zij zullen alle rechten en vrijdommen genieten, welke aan de eigen onderdanen toekomen en zij zullen, evenals deze, de bevoegdheid hebben voor de bescherming hunner belangen gebruik te maken van de diensten van advocaten en gevolmachtigden, door hen zelf gekozen. 3. Zij zullen voor de uitoefening van hunnen handel of hunne nijverheid op het grondgebied der andere Partij geene andere of hoogere belastingen, heffingen, rechten of lasten, onder welke benaming ook, behoeven te betalen, dan die, welke worden of zullen worden geheven van de eigen onderdanen. 4. Zij zullen zijn vrijgesteld van de verplichting tot deelneming aan gedwongen leeningen of tot het bijdragen in gedwongen nationale heffingen, welke voor oorlogsdoeleinden of ten gevolge van buitengewone omstandigheden mochten worden uitgeschreven of opgelegd. 5. De onderdanen van elke Partij zullen op het grondgebied van de andere zijn vrijgesteld van iederen verplichten, persoonIijken, militairen dienst en van iedere verplichte openbare functie van administratieven of gerechtelijken aard, behoudens in zaken, voogdijschap betreffende, alsmede van elke belasting, hetzij in geld, hetzij in natura, opgelegd in de plaats van den verplichten persoonlijken dienst. Zij zullen, zoowel in tijd van vrede als in tijd van oorlog, slechts in dezelfde mate en op dezelfde grondslagen als de eigen onderdanen gedwongen worden tot het verleenen van hulp van militairen aard en tot het voldoen aan militaire vorderingen. Zij zullen ten aanzien van de schadeloosstellingen zijn onderworpen aan dezelfde regelingen als de eigen onderdanen.

Rechtspraak bij dit artikel