Naar hoofdinhoud

Artikel III

Artikel III

Onderdeel van Verdrag van handel en scheepvaart tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Polen· Vervoersrecht

Deze tekst geldt sinds 5 juni 1925

1. De naamloze en andere vennootschappen, die volgens de wetten van een der verdragsluitende Partijen naar den eisch zijn opgericht en die gevestigd zijn op derzelver grondgebied, zullen op het grondgebied van de andere Partij als rechtspersoon worden erkend, mits zij geen ongeoorloofd of in strijd met de goede zeden zijnde doel beoogen en zullen, zoo zij de wetten en reglementen in acht nemen, vrijen en gereeden toegang tot de rechtbanken hebben, hetzij om eene vordering in te stellen, hetzij om zich te verweren. 2. De aldus erkende naamlooze en andere vennootschappen van iedere Partij zullen zich, mits zij zich onderwerpen aan de wetten van de andere Partij, kunnen vestigen op het grondgebied dezer laatste, daar filialen en bijkantoren kunnen oprichten en daar haren handel en hare nijverheid kunnen uitoefenen, met uitzondering evenwel van de vennootschappen, die uit hoofde van haar karakter van instellingen te algemeenen nutte, zooals verzekeringsmaatschappijen en financieele instellingen, mochten zijn onderworpen aan bijzondere, op alle landen gelijkelijk van toepassing zijnde beperkende bepalingen. 3. Deze vennootschappen, eenmaal toegelaten overeenkomstig de wetten en voorschriften, die op het grondgebied van het betrokken land van kracht zijn of zullen worden, zullen niet zijn onderworpen aan andere of hoogere heffingen, belastingen, of in het algemeen fiscale lasten, welke deze ook mogen zijn, dan die, opgelegd aan de vennootschappen van een derden staat, welken ook. 4. Zij zullen zijn vrijgesteld van verplichting tot deelneming aan gedwongen leeningen of tot het bijdragen in gedwongen nationale heffingen, die voor oorlogsdoeleinden en tengevolge van buitengewone omstandigheden mochten worden uitgeschreven of opgelegd. 5. Belastingen zullen slechts mogen worden geheven van dat gedeelte van het vennootschappelijk vermogen, hetwelk zich werkelijk bevindt in het land, waar de belastingen, heffingen of lasten worden geheven of opgelegd en slechts wegens de zaken, die daar te lande zijn gedaan.

Rechtspraak bij dit artikel