Naar hoofdinhoud

Artikel VIII

Artikel VIII

Onderdeel van Verdrag van handel en scheepvaart tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Polen· Vervoersrecht

Deze tekst geldt sinds 5 juni 1925

1. De handelaren, fabrikanten en andere producenten van een der verdragsluitende Partijen, die door vertoon hunner bijzondere legitimatiekaart, afgegeven door de bevoegde autoriteiten in hun land, bewijzen, dat het hun is toegestaan hunnen handel of hunne nijverheid uit te oefenen, zullen het recht hebben, hetzij persoonlijk, hetzij door in hunnen dienst zijnde reizigers, op het grondgebied der andere Partij aankoopen te doen bij handelaren of producenten of in openbare verkooplokalen, zonder een patentbelasting te betalen. Zij zullen ook bestellingen mogen opnemen bij de kooplieden of andere personen, die de betreffende koopwaren voor hun handel of hun nijverheid gebruiken. Zij zullen monsters of modellen met zich mogen voeren. Intusschen behouden Partijen zich het recht voor om hun te verbieden met koopwaren te venten, tenzij zij daartoe toestemming hebben bekomen overeenkomstig de wetgeving van het land waar zij reizen. 2. De Partijen zullen elkander wederkeerig opgeven welke autoriteiten belast zijn met de afgifte van legitimatiekaarten, alsmede naar welke bepalingen de reizigers zich, bij de uitoefening van hunnen handel, hebben te gedragen. 3. Bovenstaande bepalingen zijn niet van toepassing op rondreizende industrieelen, noch op de marskramerij, noch op het opnemen van bestellingen bij personen, die zich noch met nijverheid, noch met handel bezighouden. Iedere partij behoudt zich ten aanzien van hare wetgeving te dier zake volkomen vrijheid voor.

Rechtspraak bij dit artikel