Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Artikel 3

Onderdeel van Verdrag van handel en scheepvaart tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Japan· Vervoersrecht

Deze tekst geldt sinds 9 oktober 1913

*)[Red: N.B. Dit artikel is niet toepasselijk op de Nederlandsche Koloniën en overzeesche bezittingen (zie het protocol geteekend bij de uitwisseling der akten van bekrachting).]Ieder der Hooge Contracteerende Partijen zal Consuls-Generaal, Consuls, Vice-Consuls en Consulaire Agenten mogen benoemen in alle havens, steden en plaatsen van de andere, met uitzondering van die, waar er bezwaar tegen zou bestaan zoodanige consulaire ambtenaren toe te laten. Deze uitzondering zal evenwel niet gemaakt worden ten aanzien van eene der Contracteerende Partijen zonder eveneens te worden gemaakt ten aanzien van alle andere Mogendheden. Gezegde Consuls-Generaal, Vice-Consuls en Consulaire Agenten, zullen, na van de Regeering van het land, waar zij benoemd zijn, het exequatur of andere noodige machtigingen verkregen te hebben, op voet van wederkeerigheid het recht hebben alle ambtsbezigheden te verrichten en alle voorrechten, vrijstellingen en vrijdommen te genieten die zijn of in het vervolg mochten worden verleend aan de consulaire ambtenaren van denzelfden rang der meest begunstigde natie. De Regeering, welke het exequatur of andere machtigingen verleent, heeft het recht die naar eigen goedvinden in te trekken. Zij is in dat geval evenwel gehouden de redenen te ontvouwen, waarom zij het dienstig heeft geoordeeld aldus te handelen. Geschorst per 8 december 1941 (Trb. 1954/168). De schorsing is herroepen per 29 augustus 1953 (Trb. 1954/168).

Rechtspraak bij dit artikel