Naar hoofdinhoud

Artikel Eerste

Artikel Eerste

Onderdeel van Verdrag van handel en scheepvaart tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Japan· Vervoersrecht

Deze tekst geldt sinds 9 oktober 1913

De onderdanen der beide Hooge Contracteerende Partijen zullen volle vrijheid hebben met hunne gezinnen binnen te komen en zich te vestigen in de geheele uitgestrektheid van elkanders gebied of bezittingen; en, indien zij zich gedragen naar de wetten des lands: zullen zij, in alles wat betreft het reizen en het verblijf, de studiën en onderzoekingen, de uitoefening hunner bedrijven en beroepen en het voeren van hunne bedrijfs- of nijverheidsondernemingen in alle opzichten op denzelfden voet geplaatst zijn als de onderdanen of burgers van de meest begunstigde natie; zullen zij, evenals de eigen onderdanen zelven, het recht hebben te handelen in alle goederen, waarin de handel vrijstaat; zullen zij mogen bezitten of huren en betrekken de huizen, de fabrieken, de magazijnen, de winkels en de lokalen die zij noodig kunnen hebben en terreinen pachten om er te wonen of te gebruiken voor eenig geoorloofd handels-, bedrijfs-, nijverheids- of ander doel; wat betreft het bezit van roerende goederen van welken aard ook, de overdracht bij testament of anderszins van alle mogelijke roerende goederen welke zij wettig onder levenden kunnen verkrijgen, en wat betreft het recht om, op welke wijze ook, te beschikken over goederen van welken aard ook, welke zij wettig zullen hebben verkregen, zullen zij dezelfde voorrechten, vrijheden en rechten genieten, en zij zullen op dat stuk niet aan hoogere belastingen of lasten onderworpen zijn dan de eigen onderdanen, of de onderdanen of burgers van de meest begunstigde natie; zullen zij, op voorwaarde van wederkeerigheid, kunnen verkrijgen en bezitten alle soorten van onroerende goederen, die naar de wetten des lands, kunnen of zullen kunnen worden verkregen en bezeten door de onderdanen of burgers van eenig ander vreemd land, mits zij zich steeds gedragen naar de voorwaarden en beperkingen, voorgeschreven door gezegde wetten; zullen zij voortdurende en volledige bescherming en veiligheid genieten voor hunne personen en eigendommen; zullen zij ter vervolgingen verdediging hunner rechten vrijen en gereeden toegang hebben tot de rechtbanken, en zullen zij bovendien gerechtigd zijn voor de rechtbanken of andere bevoegde overheden hunne vorderingen op den Staat en zijne organen te doen gelden; zullen zij zijn vrijgesteld van allen verplichten militairen dienst, hetzij in het leger te land of ter zee, hetzij in de schutterij of militie, en van alle heffingen, opgelegd in plaats van persoonlijken dienst. Zij zullen eveneens zijn vrijgesteld van alle gedwongen leeningen en van alle militaire heffingen of bijdragen behalve die, welke zullen worden opgelegd aan de onderdanen of burgers van de meest begunstigde natie; zullen zij niet worden onderworpen aan andere of hoogere heffingen of behoeven te betalen andere of hoogere belastingen of bijdragen, van welken aard ook, dan die, welke zijn of zullen worden opgelegd aan de onderdanen of burgers van de meest begunstigde natie. Geschorst per 8 december 1941 (Trb. 1954/168). De schorsing is herroepen per 29 augustus 1953 (Trb. 1954/168).

Rechtspraak bij dit artikel