Alle vragen waarover de Hooge verdragsluitende Partijen verdeeld mochten zijn, zonder die op vriendschappelijke wijze te kunnen oplossen langs de gewone diplomatieke wegen, zullen, wanneer het vragen betreft waarvan de oplossing niet zou kunnen worden gezocht door een uitspraak als voorzien in artikel 2 van dit Verdrag, en wanneer daarvoor niet reeds een procedure tot oplossing is voorzien door een verdrag of overeenkomst, tusschen Partijen van kracht, worden onderworpen aan de Permanente Verzoeningscommissie, die belast zal zijn om aan de Partijen een aannemelijke oplossing voor te stellen en in ieder geval om haar een verslag aan te bieden. Deze bepaling is niet toepasselijk op geschillen ontstaan uit feiten die hebben plaats gehad vóór de totstandkoming van dit Verdrag en die tot het verleden behooren.
Bij gebreke van overeenstemming tusschen de Partijen omtrent het verzoek tot de Commissie te richten, zal de een of de andere van haar de bevoegdheid hebben de vraag rechtstreeks aan die Commissie voor te leggen, na daarvan een maand van te voren kennis te hebben gegeven aan de andere Partij.
Wanneer er verschil van meening tusschen de Partijen bestaat over de vraag of het geschil al of niet de natuur heeft van een geschil als bedoeld in artikel 2 en derhalve kan worden opgelost door een bindende uitspraak, zal dat verschilpunt, alvorens tot eenige procedure voor de Permanente Verzoeningscommissie wordt overgegaan, worden voorgelegd aan de beslissing van het Permanente Hof van Internationale Justitie.
Artikel 7
Artikel 7
Onderdeel van Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Venezuela tot beslechting van geschillen door arbitrage, rechtspraak en verzoening· Arbitrage
Deze tekst geldt sinds 19 december 1933