**1.** De onderdanen van elk der Hooge Verdragsluitende Partijen zullen volle vrijheid hebben zich te begeven op het gebied van de andere Partij, daar te verblijven, te reizen en het te verlaten, mits zij zich echter gedragen naar de wetten en verordeningen, die er ter zake van kracht zijn of zullen zijn.
**2.** Voor alles wat betreft de vestiging en de uitoefening van den handel, de nijverheid en de scheepvaart, evenals de uitoefening van ambachten en beroepen en de verkrijging van- en de beschikking over den eigendom of het bezit van roerende of onroerende goederen van elken aard, zullen de onderdanen van elk der Hooge Verdragsluitende Partijen over de geheele uitgestrektheid van het gebied van de andere Partij in alle opzichten genieten de behandeling van de meest begunstigde natie.
**3.** De onderdanen van elk der Hooge Verdragsluitende Partijen zullen vrijelijk toegang hebben tot de rechtbanken van de andere Partij, hetzij als eischers, hetzij als verweerders. Zij zullen, op denzelfden voet als de eigen onderdanen of die van de meestbegunstigde natie, bevoegd zijn, procureurs, advocaten, vertegenwoordigers en getuigen te kiezen en van dezer diensten gebruik te maken voor de bescherming van hunne rechten voor genoemde rechtbanken.
**4.** Zij zullen, met name voor de uitoefening van den handel, van de nijverheid, van de scheepvaart en van de ambachten en beroepen, op het gebied van de andere Partij, geen enkele belasting, heffing, recht of bijdrage behoeven te betalen, onder welke benaming of van welken aard ook, hooger dan of verschillend van die, welke worden geheven of later zullen kunnen worden geheven van de eigen onderdanen of van die van de meestbegunstigde natie.
**5.** De onderdanen van elk der Hooge Verdragsluitende Partijen, die, volgens de wetgeving van de andere, vreemdeling zijn en die op behoorlijke wijze hunne nationaliteit zullen hebben kenbaar gemaakt, zullen op het grondgebied van de andere zijn vrijgesteld van iederen persoonlijken dienstplicht en van iedere verplichte publiekrechtelijke functie, evenals van iedere bijdrage, hetzij in geld, hetzij in natura, opgelegd in plaats van genoemden persoonlijken dienstplicht. Zij zullen zoowel in vredes- als in oorlogstijd, slechts worden gedwongen tot die verrichtingen en vorderingen van militairen aard, welke worden opgelegd aan de eigen onderdanen of aan die van de meestbegunstigde natie in dezelfde mate en volgens dezelfde beginselen en tegen dezelfde schadeloosstellingen als dezen.
Artikel I
Artikel I
Onderdeel van Handelsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek van Bolivia· Financieel en economisch recht
Deze tekst geldt sinds 12 oktober 1932