**1.** De naamlooze vennootschappen en andere vereenigingen op het gebied van handel, nijverheid of financiën, met inbegrip van de scheepvaart- en verzekeringmaatschappijen, die haar zetel hebben op het gebied van één der Hooge Verdragsluitende Partijen zullen, op voorwaarde dat zij er, overeenkomstig de van kracht zijnde wetten, rechtspersoonlijkheid te hebben, worden erkend eveneens rechtspersoonlijkheid te hebben op het gebied van de andere. Zij zullen, mits zij zich gedragen naar de wetten en verordeningen, het recht hebben bij de rechtbanken in rechte op te treden, hetzij voor het instellen van een actie, hetzij om er te verdedigen.
**2.** De hierbovengenoemde maatschappijen zullen op het gebied van de andere Partij worden toegelaten, mits zij zich onderwerpen aan de wetten en voorschriften, die op het gebied van die Partij van kracht zijn.
**3.** Genoemde maatschappijen zullen, evenals hare bijkantoren, op het gebied van de andere Partij dezelfde rechten genieten als die, welke worden of later zullen worden toegekend aan soortgelijke maatschappijen van de meestbegunstigde natie; met name zullen zij voor de uitoefening van haar bedrijf op het gebied der andere Partij geen belastingen, rechten, heffingen of bijdragen behoeven te betalen, onder welke benaming of van welken aard ook, hooger dan of verschillend van die, welke worden of zullen kunnen worden geheven van soortgelijke maatschappijen van de meestbegunstigde natie.
Artikel II
Artikel II
Onderdeel van Handelsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek van Bolivia· Financieel en economisch recht
Deze tekst geldt sinds 12 oktober 1932