De afstand der gedeelten van Kerkraede en 's Hertogenrade, bij het voorgaand artikel vermeld, zal onverlet laten de bearbeiding der kolenmijnen, welke, voormaals tot de abdij van 's Hertogenrade behoord hebbende, thans in de gemeenten van Kerkraede en van 's Hertogenrade, voor rekening van het Gouvernement der Nederlanden, wordt voortgezet; derwijze dat deze Regering, of elke andere concessionaris, die haar vertegenwoordigen mogt, in de afgestane gedeelten zoodanige werken zal kunnen verrigten, als hem goeddunken zal, hetzij tot het delven der steenkolen, hetzij tot het uitpompen van het water; wel te verstaan onder schadeloosstelling van de eigenaren der oppervlakte, bij onderlinge schikking of op het uitwijzen van deskundigen.
Het Pruissische Gouvernement zal op geenerlei wijze deze exploitatie mogen hinderlijk zijn, noch onder voorwendsel van opzigt door deszelfs ingenieurs, noch door het leggen eener belasting op de delving of op den uitvoer der steenkolen; noch eindelijk door andere beletselen hoegenaamd daar te stellen, die het delven of het vertier der steenkolen zouden kunnen hinderlijk zijn.
Het Pruissische Gouvernement zal ook geene bijzondere vergunningen in de afgestane landen kunnen verleenen; die, welke thans bestaan, zullen moeten blijven binnen de bepalingen, bij de akten van vergunning, of bij de wetten, onder welks gezag zij verleend zijn, aan dezelve toegewezen.
Artikel 19
Artikel 19
Onderdeel van Grenstractaat tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Pruisen· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 7 augustus 1816