Naar hoofdinhoud

Artikel 22

Artikel 22

Onderdeel van Grenstractaat tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Pruisen· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 3 december 1816

De algemeene afmetingen, bepaald voor de, afwateringen, zijn als volgt: De diepte van de afwaterings-sloot, op het vlak der bedding, aan het oostelijk uiteinde, nabij de gezegde nieuwe sluis van Klein Netterden, zal gelijk zijn met den vloer dierzelfde sluis, en zal in eene afdalende helling loopen naar het tegenovergestelde uiteinde in den ouden Rijn, op de tegenwoordige diepte der Wildt, onder de brug in den postweg nabij den Eltenberg. De breedte op het vlak der bedding van het kanaal zal ten minste moeten zijn: 6 voet voor de te graven afwaterings-sloot en voor het gedeelte genaamd de Nettersche landweer of Schouwgraaf; 8 voet voor de Bergsche Wetering; 12 voet voor de beek de Wildt. De glooijingen zullen van anderhalf of tweemaal de hoogte zijn, naarmate van de hoedanigheid der te vergraven aarde. Van de nieuwe sluis van Klein Netterden tot aan Emmerick, zal de hoogte van den zomerdam of aan elke andere waterkeering, welke ook, niet beneden het n°. 13 voet der gezegde peilschaal der groote sluis van Leeuwenberg mogen verlaagd worden Uitgezonderd die van Klein Netterden, zal geene sluis verlaagd, of doorsnijding hoe ook genaamd, in gezegden zomerdam mogen worden gebouwd of daargesteld. Geen afwaterings-sloot, breeder dan drie voet op de bedding zal gegraven worden: benedenwaarts van voornoemden zomerdam; in de geheele uitgestrektheid van het terrein tusschen de Wildt, de Bergsche Wetering, de Schouwgraaf en de oude grenzen van Emmerik; in de landen van Huttum tot aan den postweg van Elten naar Stokman. Het Pruissische Gouvernement zal binnen den kortst mogelijken tijd, ieder gebrek, ten aanzien der bepalingen onder 4°, doen verhelpen.

Rechtspraak bij dit artikel