De landbouwers, wier eigendommen gedeeltelijk aan deze en gedeeltelijk aan gene zijde der grenzen gelegen zijn, zullen stalmest, allerhande stroo, strooisel en andere mestsoorten voor het bebouwen hunner landen, kunnen in- en uitvoeren, alsmede alle soorten van ingezamelden oogst. Zij zullen insgelijks de bevoegdheid hebben, hunne weibeesten over en weder te drijven; alles zonder aan eenig tolregt, hetzij van in-, uit- of doorvoer, of anderen van dien aard, onderhevig te zijn. Het zal genoegzaam wezen, dat zij door certificaten van het plaatselijk bestuur doen blijken, dat zij eigendommen aan gene zijde der grenzen bezitten en bebouwen, zonder zich echter te mogen onttrekken aan het onderzoek der tolbeambten, of anderen, die wettig belast zijn, de gevallen van sluiking na te gaan; wel te verstaan, dat die tolbeambten of agenten geene nasporingen, dan op hun repectief grondgebied zullen mogen doen.
Artikel 37
Artikel 37
Onderdeel van Grenstractaat tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Pruisen· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 3 december 1816