De onderdanen van elk der verdragsluitende landen zullen in alle andere landen der Unie, voor wat betreft de bescherming van den industrieelen eigendom, de voordeelen genieten, welke de onderscheidene wetten op dit oogenblik aan de nationalen toekennen of in het vervolg zullen toekennen, dit alles onverminderd de rechten, welke door dit verdrag in het bijzonder worden toegekend. Dientengevolge zullen zij dezelfde bescherming hebben als deze en hetzelfde wettelijk verhaal tegen elke inbreuk op hunne rechten, mits zij de voorwaarden en formaliteiten nakomen, aan de nationalen opgelegd.
Echter kan voor het genot van geen der rechten van industrieelen eigendom van hen, die tot de Unie behooren, geëischt worden, dat zij een woonplaats of inrichting hebben in het land, waar op de bescherming wordt aanspraak gemaakt.
De bepalingen der wetgeving van elk van de verdragsluitende landen met betrekking tot den rechterlijken of administratieven procesgang en de bevoegdheid, benevens tot de keuze van domicilie of het stellen van een gemachtigde, indien de wetten op den industrieelen eigendom zulks zouden vorderen, worden uitdrukkelijk voorbehouden.
Artikel 2
Artikel 2
Onderdeel van Unieverdrag van Parijs van 20 maart 1883 tot bescherming van de industriële eigendom, herzien te Brussel op 14 december 1900, te Washington op 2 juni 1911 en te 's-Gravenhage op 6 november 1925· Intellectuele eigendom
Deze tekst geldt sinds 1 juni 1928