Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Artikel 3

Onderdeel van Verdrag van handel en scheepvaart tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Oostenrijk· Vervoersrecht

Deze tekst geldt sinds 13 november 1930

(1). Elk der beide Hooge Verdragsluitende Partijen verbindt zich aan de andere de meest gunstige behandeling te verleenen welke zij toekent of in de toekomst zal toekennen aan een derden Staat voor wat betreft den uitvoer, den invoer, het entrepôt-verkeer en den doorvoer van koopwaren, de voldoening van rechten of van belastingen en de vervulling van douaneformaliteiten. (2). De voortbrengselen van den bodem of van de nijverheid herkomstig uit Nederland, Nederlandsch-Indië, Suriname en Curaçao worden toegelaten in Oostenrijk en de voortbrengselen van den bodem of van de nijverheid van Oostenrijk worden toegelaten in Nederland, Nederlandsch-Indië, Suriname en Curaçao, onder toepassing van het gunstigste tarief dat elk der beide Hooge Verdragsluitende Partijen verleent of zal verleenen aan een derden Staat, zoowel voor wat betreft alle rechten en belastingen als ten aanzien van alle coëfficiënten, surtaxen of toeslagen welke op deze rechten en belastingen betrekking hebben of zullen hebben. (3). Voor het geval in- of uitvoerverboden, welke door een der Hooge Verdragsluitende Partijen zijn of in de toekomst mochten worden ingesteld, den handel tusschen deze Partijen zouden belemmeren, verklaart elk Harer zich bereid op het verzoek van de andere in onderhandelingen te treden over de sluiting van een overeenkomst in zake de verleening van in- of uitvoerfaciliteiten. (4). Alinea 3 vindt geen toepassing op in- of uitvoerverboden of -beperkingen die om een der volgende redenen zijn of mochten worden uitgevaardigd: in buitengewone omstandigheden met het oog op oorlogsvoorraden; om redenen van openbare veiligheid; ten behoeve van de Staatsmonopolies welke thans bestaan of in de toekomst zullen worden ingesteld; ten einde op vreemde koopwaren de verboden of beperkingen toe te passen welke door de binnenlandsche wetgeving zijn of mochten worden ingesteld ten aanzien van de voortbrenging, den verkoop, het vervoer of het verbruik in het binnenland van soortgelijke inheemsche koopwaren; in verband met de gezondheidspolitie en met het oog op de bescherming van nuttige dieren en planten tegen ziekten, insecten en schadelijke parasieten en vooral in het belang van de openbare gezondheid en overeenkomstig de te dezen aanzien gehuldigde internationale beginselen.

Rechtspraak bij dit artikel