Naar hoofdinhoud

Artikel 5

Artikel 5

Onderdeel van Verdrag van handel en scheepvaart tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Oostenrijk· Vervoersrecht

Deze tekst geldt sinds 13 november 1930

(1). Behoudens de grootere voordeelen, welke in deze kunnen voortvloeien uit de behandeling als meestbegunstigde natie, zullen de handelaren, de fabrikanten en andere producenten van een der beide landen, alsmede hun handelsreizigers, op vertoon van een legitimatiebewijs, afgegeven door de autoriteiten van hun land, en met inachtneming van de formaliteiten, voorgeschreven binnen het grondgebied van het andere land, het recht hebben zoowel om in dat land aankoopen te doen voor hun handel, nijverheid of andere onderneming bij de handelaren of producenten van deze koopwaren of in de openbare verkooplokalen als om er orders op te nemen bij de personen of handelshuizen die zich bezighouden met den wederverkoop of die in hun beroep of nijverheid de aangeboden handelswaren gebruiken, zonder uit dien hoofde tot de betaling van eenig recht of eenige belasting gehouden te zijn. Zij mogen monsters of modellen doch geen koopwaren met zich voeren, behalve in de gevallen dat dit aan de eigen handelsreizigers is toegestaan. (2). Het hierboven bedoelde legitimatiebewijs moet zijn opgesteld overeenkomstig het model dat als bijlage is gevoegd bij de op 3 November 1923 te Genève gesloten conventie voor de vereenvoudiging van de douaneformaliteiten. (3). Aan invoerrechten onderhevige goederen, welke als monsters dienst doen, met uitzondering van verboden waren, zullen bij invoer over en weer een tijdelijken vrijdom van invoerrechten genieten, mits de douaneformaliteiten worden in acht genomen welke noodig zijn ten einde den wederuitvoer te verzekeren. (4). Het is wel verstaan, dat de uitzondering van de verboden waren van de toelating ten invoer onder genot van tijdelijken vrijdom van invoerrechten slechts van toepassing is op monsters van waren, welker invoer verboden is om humanitaire en politieredenen of met het oog op de bescherming van menschen, dieren of planten tegen besmettelijke ziekten. (5). De herkenningsmerken welke door de autoriteiten van een der Hooge Verdragsluitende Partijen op de monsters zijn aangebracht zullen ter vaststelling van de identiteit dier monsters door de autoriteiten van de andere Partij worden erkend, met dien verstande evenwel, dat deze laatsten de bevoegdheid zullen hebben daarnevens de nationale herkenningsmerken aan te brengen in al die gevallen dat haar zulks noodzakelijk mocht voorkomen. (6). Het genot van dezen vrijdom van invoerrechten kan worden ontnomen aan die reizigers en die handelshuizen, welke zich niet volgens de vastgestelde bepalingen gedragen.

Rechtspraak bij dit artikel