Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK II

Artikel 3

Artikel 3

Onderdeel van Verdrag betreffende internationale tentoonstellingen· Cultureel recht

Deze tekst geldt sinds 19 juli 1996

Voor inschrijving door het Internationaal Tentoonstellingsbureau, bedoeld in artikel 25 hieronder, komen in aanmerking de internationale tentoonstellingen die voldoen aan de volgende voorwaarden: de duur ervan mag niet minder dan zes weken en niet meer dan zes maanden zijn; de gebruiksvoorwaarden van de tentoonstellingsgebouwen die worden gebruikt door de deelnemende Staten, worden vastgesteld in het algemene tentoonstellingsreglement. Indien volgens de van kracht zijnde wetgeving in de uitnodigende Staat onroerend-goedbelasting zou moeten worden geheven, komt deze belasting ten laste van de organisatoren. Alleen de diensten die daadwerkelijk worden verleend op grond van de door het Bureau goedgekeurde reglementen kunnen in aanmerking komen voor een vergoeding; met ingang van 1 januari 1995 is de tijdruimte tussen twee ingeschreven tentoonstellingen ten minste vijf jaar, waarbij de eerste tentoonstelling kan plaatsvinden in 1995. Het Internationaal Tentoonstellingsbureau kan evenwel aanvaarden dat het tijdstip dat voortvloeit uit de voorgaande bepaling, met ten hoogste 1 jaar wordt vervroegd om de viering of herdenking van een bijzondere gebeurtenis van internationaal belang mogelijk te maken, zonder dat daardoor de tijdruimte van vijf jaar, die is vastgesteld door het oorspronkelijke tijdschema, wordt gewijzigd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel